Maria’s Mooie Mensen – week 23

0
1004

Toen ik nog geen kinderen had, had ik er al een hekel aan: mensen die vissen naar ‘de stand van zaken’. Sommigen deden het onopvallend: ‘in dat huis zitten wel veel kamers’, anderen juist vrij recht door zee: ‘en wanneer zijn jullie aan de beurt’. Ik had gedacht dat met het krijgen van een kind opmerkingen in deze trant wel aardig voorbij zouden zijn. Stiekem had ik al medelijden met de broertjes van mijn man, want die zouden nu wel het doelwit worden van de nieuwsgierigheid van anderen. Maar nee hoor, blijkbaar is het krijgen van een kind alleen maar meer inspiratie om eens te vissen naar verdere voortplanting. ‘Valt het mee, op naar nummer twee?’, denderde onlangs mijn mailbox binnen. En ook onderweg word ik bij tijden in één adem door gefeliciteerd met nummer één gevolgd door de vraag: ‘en nu een tweede?’ Hadden we de aannemer op bezoek, denkt die dat hij weer aan de slag moet, omdat wij weer een kamer klaar moeten maken. En blijkbaar wordt het toch echt wel tijd om wat de strijd met die zwangerschapskilo’s te beslechten, want vol enthousiasme knalde er iemand de vraag of er nog eentje aan komt. Het is alsof kinderen zo in de supermarkt gekocht kunnen worden. Of net zoals een broek die goed bevalt: weet je wat, ik haal er gelijk nog eentje in een andere kleur op. Maar om heel eerlijk te zijn, voelde het niet zo om een kind op de wereld te zetten. Ik heb het idee dat de mist in mijn hoofd pas net een beetje optrekt en mijn lijf zich ook weer langzaamaan realiseert dat het weer normaal mag worden. De zere voeten verdwijnen langzaam aan weer, het slaapgebrek is bijna vergeten en die extra kilo’s dus, nou ja, daar heb ik het nog maar even niet meer over. Nog een kind, betekent nog een keer door die beroerdheid en vermoeidheid heen, weer afscheid nemen van mijn ‘normale’ kleren en weer trek in drop en chocola. Nog een keertje bevallen; nou dat zal wel lukken. Maar ook nog een keer om de drie uur wakker ’s nachts om te voeden, nog een keer het onverklaarbare huiluurtje uitzitten en nog een keer een klein mensje de hele dag dragen, omdat het nog niet gewend is om zonder je te zijn. En dan kijk ik ’s ochtends in het bedje en bedenk me dat het ook nog een keer is zien hoe een piepkleine baby uitgroeit tot een prachtig mollig mensje. Zien hoe ze leert, hoe ze steeds meer kan en hoe ze groeit. Zien hoe ze opeens lacht, en dan ook echt kan lachen en dat dagenlang alleen maar doet, hoe ze begint met eten en daar zelf ook maar wat blij om is en haar gebrabbel de hele dag door horen. Och, dat is dan wel weer leuk en dan klinkt nog eentje zo gek nog niet. Afgelopen week kwam mijn beste vriendin op bezoek, zelf ook moeder van een dochter en dus maar al te zeer bekend met de ‘wanneer komt de tweede’-nieuwsgierigheid. Na twee koud geworden koppen thee voor ons, twee biscuitjes voor haar Josephine, een fles voor mijn dame, twee verschoonde luiers, één dame die liever op het potje wil, een ander die liever bij haar moeder op schoot wil zitten, speelgoed wat letterlijk overal door huis zwerft en twee katten die hun heil niet op, maar onder de bank hebben gezocht, praten we nog even bij over haar collega die net zwanger is. Met een blik op mijn ontplofte huis en onder een poging nog eens de thee op te drinken concludeert beste vriendin nuchter: ‘gelukkig dat wij even niet zwanger zijn. Wij hebben al twee prachtdames. Dat is nu nog even genoeg’.