Minikul week 35’’ 15

0
182
Grijpskerk Ongenode gast

Iedereen in onze familie gaat goed met elkaar om. Maar de vier woordjes ‘Ik hou van jou’ krijgt niemand uit zijn of haar strot. Of we dat te kleverig vinden of dat we te beschroomd, te verlegen, te labbekakkerig mag voor mijn part ook, zijn om dat te zeggen? Ik heb er geen zinnig antwoord op. ’t Is nu eenmaal zo.

Van mezelf – eerst de hand in eigen boezem steken – kan ik het me ook niet herinneren dat ik ooit, nou ja, misschien zestig jaar geleden toen ik verliefd was, tegen mijn meisje, nu mijn vrouw, heb gezegd dat ik van haar hield. Een kwestie van ongevoeligheid? Toch niet. Ik kan best ontroerd raken, moeite hebben om mijn tranen binnen te houden, een brok in mijn keel krijgen. Maar die ontroering verbaal uiten? Nee, dat kan – of beter: wíl – ik niet.

Nou kom ik zelf niet bepaald uit een zijn gevoelens uitend gezin. Het tonen van diepere gevoelens zou je best – in de geest van die tijd, overigens – Spartaans kunnen noemen. ‘Een man mag niet huilen’, die stijl. Huilen heb ik dan ook weinig gedaan en nu nog niet. Wegslikken die opkomende tranen. En stoïcijns doorgaan.

Tóch raakte ik kort geleden ontroerd door een wat onbenullig item op de tv. In het programma Man bijt hond werd een man op gevorderde leeftijd gevraagd of hij tegen zijn allerbeste vriend, echt zijn maatje die hij – vertelde hij met een brok in de keel – al meer dan vijftig jaar kende, ooit wel eens ‘Ik hou van jou’ had gezegd. De man, uiterlijk het type ruwe bolster blanke pit, kleurde rood, dacht diep na, maar nee dat deed je als man tegen man niet. Ook al was hij je beste vriend, zelfs méér dan een broer. De interviewer vroeg wat door en kon daardoor kennelijk de man dieper raken. Ach ja, was opeens diens conclusie, hij kon – de schroom verdween zienderogen – toch best eens naar zijn vriend toegaan om te zeggen dat hij van hem hield. Wat toen volgde was een misschien wat kitscherige maar in wezen (voor mij) heel ontroerende scène. Nadat de man de vier beladen woordjes had uitgesproken vielen ze elkaar in de armen. En de man verklaarde toen ‘alles’ achter de rug was, dat hij blij was dat ie het had gezegd. Eindelijk.

Dat bracht mij op het idee ‘Ik hou van jou’ na jaren toch nog eens tegen mijn vrouw te zeggen. Dat deed ik, beschroomd en na twee moedgevende wijntjes. Maar zij keek me daarna argwanend aan: ‘Nou, zeg het maar, wat heb je me verder op te biechten.’ En nee, we vielen elkaar ook niet in de armen.