Maria’s Mooie Mensen 48 “16

0
1039

‘Het ís toch allemaal wat’, klinkt er ferm door de wachtkamer van de huisarts als ik samen met dochterlief binnenstap. In de hoek zitten twee oudere dames die blijkbaar de stand van zaken van iets doornemen. De ene overduidelijk op de praatstoel, de ander lijkt ergens wat ongelukkig met deze praatgrage buurvrouw. ‘Het ís toch wat’, laat die nogmaals horen. ‘Wat een toestand toch zonet’, voegt ze er luid aan toe en ik heb het gevoel dat ik niet eerder had moeten komen. ‘Kijk’, zegt ze terwijl de assistentes buiten de wachtkamer druk rondlopen, ‘ze hebben het er maar druk mee. Tja, dat is ook wat als je in zo’n karretje moet zitten, ik ben maar wat blij dat ik ondanks mijn rug en knieën nog zelf kan lopen. Valt natuurlijk niet altijd mee, helemaal niet als die heup ook nog eens opspeelt, maar in zo’n karretje kruipen kan altijd nog. Denk wel dat als ik daar in zou zitten, het toch iets soepeler zou gaan. Dit ís toch wat’, herhaalt ze nog maar eens. De ander knikt instemmend, kijkt opzij hopend dat de vrouw naast haar het onderwerp laat rusten. ‘Jóngens, jongens’, herhaalt deze echter weer. ‘Ze zal er nog wel niet zolang in rondrijden denk ik, want anders kan dit toch niet gebeuren. Nee, dan ben ik maar blij dat ik hier gewoon in de wachtkamer zit. Maar goed, als je niet meer goed kan lopen, dan zal je wat moeten. Ik denk wel dat ik wel zonder zo’n karretje zou kunnen, hoor. Misschien een keer een rollator, maar zo’n ding, dat zal toch aan mij voorbijgaan.’ Ietwat geërgerd schuift het vrouwtje naast haar op haar stoel heen en weer. Ze zoekt wat afleiding bij mijn dochter die ondertussen in het speelgoedkeukentje voor de hele wachtkamer staat te koken. Maar de vrouw naast haar weet niet van stoppen. Voor haar is dit momentje in de wachtkamer misschien wel hét uitje van de dag. ‘Als dat maar weer goed komt, dat ding is nog wel gloednieuw. Het zal ook wel niet meevallen, hoor, maar dát zou mij toch ook niet gebeuren.’ Stille buurvrouw verbreekt haar zwijgen. ‘Weet je nog Antje, die zat ook in zo’n kar’, begint ze. ‘Nou die wilde naar de bank en kon de stoeprand niet opkomen, dus vraagt ze zo’n jongeman of die haar even een zetje wilde geven. Weet je wat die jongen zegt: mensen zoals u, die zouden ze moeten verbieden de weg op te gaan. Nou, ik mag lijden dat hij zelf in zo’n karretje komt te zitten, dan piepen ze wel anders. Reken maar dat hij dan van mij geen hulp hoeft te verwachten, laat hij het dan ook maar uitzoeken.’ Het valt stil in de wachtkamer tot de huisarts iemand oproept. Stille buurvrouw verdwijnt en laat de roddeltante even perplex achter. Tot ook die weggeroepen wordt en ik haar nog net in de gang hetzelfde betoog hoor houden tegen de huisarts. ‘Het ís toch wat…’. Eenmaal buiten aanschouw ik het hele probleem. De assistente helpt een oudere vrouw in een scootmobiel weer op weg. Net als wij langslopen stopt ze een kapot achterlicht in het mandje van het blinkende voertuig. ‘Ach ja, scherven brengen geluk’, haalt de bestuurster haar schouders op.