Maria’s Mooie Mensen 229

0
164

Oudste dochterlief heeft een nieuw speelkameraadje op de peuterspeelzaal. Dat gebeurt wel vaker: we stappen binnen, meestal met een hoop getreuzel en discussie over wat er aan moet tot aan welke tandenborstel er gebruikt moet worden achter ons, we zien een nieuwe ‘lid’ en we gaan over tot de orde van de dag wat voor mama vaak naar het werk is en voor dochterlief vaak lekker spelen is. Daarbij slaat ze meestal weinig acht op het nieuwe kind en doet ze graag haar eigen ding. Niet zelden vraag ik haar later of ze nog met iemand gespeeld heeft en niet zelden antwoordt ze dat ze lekker alleen aan het spelen was en geen zin in een ander had. Tja, je bent eigenzinnig of niet. Maar onlangs dus was er weer een nieuw speelkameraadje en ditmaal was er wat anders. Dit jongetje namelijk heeft een andere huidskleur dan mijn dochter of alle andere kindjes. Nou denkt u misschien: dat zien jonge kinderen niet, maar die van mij dus wel. ‘Er zit een zwart kind in de zandbak’, constateert ze direct bij binnenkomst. En zoals dat dan gaat bij zo goed als iedere ouder denk je dan direct: oh jee, wat zegt mijn kind nu weer. Ik doe dus of ik gek ben en antwoord: er is inderdaad een nieuw kindje op de peuterspeelzaal. Al afgeleid door het speelgoed wat er uitgestald ligt, gaat dochterlief tevreden spelen, krijg ik de gebruikelijke natte zoen en te dikke knuffel waardoor ik bijna van het peuterstoeltje val en vertrek ik snel naar het werk. Als ik haar later ophaal, blijkt de huidskleur van het jongetje toch te intrigeren. ‘Kijk mam, dat donkere jongetje gaat ook weer naar huis’. Tja, het is hoe het is, maar ik besluit dochterlief toch maar snel naar de auto te loodsen. Eenmaal buiten presteert ze het ook nog eens over het plein te schallen: ‘kijk daar gaat hij met zijn oma’, terwijl ik vrees dat dat gewoon zijn moeder is, dus ik trek gauw de autodeur open en prop mijn kind erin. Eenmaal rijdend vraag ik me af wat het probleem is. Uiteindelijk is het jongetje donker, donkerder dan mijn dochter en is het dus een juiste observering van haar. Dat zwart onaardig klinkt, zal zij nog niet weten en zal zij zeker niet bedoelen. In de auto vraag ik haar dan ook wat ze van het nieuwe jongetje vindt. Én stip ik voorzichtig aan dat hij er anders uitziet dan zij. Iets wat ze met een simpel ‘ja’ beantwoordt. Het zal haar allemaal wel. Ik vraag haar of juf daar nog iets over vertelt heeft, maar dat blijkt niet zo te zijn. ‘Zien de andere kindjes dat dan niet’, vraag ik haar nog even. Maar zij denkt van niet. Samen houden we het erop dat zij dan wel heel slim is dat ze dat opgemerkt heeft. En we concluderen dat dus niet iedereen hetzelfde is. Wat dan wel weer wat verwarrend is als je zusjes een eeneiige tweeling zijn. Maar voorlopig is de kous af voor haar. Het jongetje wordt inmiddels gewoon bij naam genoemd en blijkt een leuk speelkameraadje, want ‘hij praat niet zoveel’. En dat zijn ‘oma’ toch zijn moeder is, heb ik er gelukkig ook goed in kunnen stampen.