Rondje deur Mien Westerkwartier: Garnwerd

0
278

GARNWERD – Officieel behoort het wierdedorp Garnwerd nu nog tot de gemeente Winsum. Na de komende herindeling sluit het dorp zich samen met Ezinge en Feerwerd aan bij de nieuwe gemeente Westerkwartier en is daarom opgenomen in deze rubriek. Garnwerd heeft een kleine vierhonderd inwoners en de status van beschermd dorpsgezicht. Alhoewel klein in omvang is het dorp allerminst klein van naam. Vele recreanten en toeristen trekken jaarlijks richting het horecarijke dorp en dat is niet zonder reden. Welke reden? Gaat u dat vooral met eigen ogen bekijken. Garnwerd is uw bezoekje meer dan waard.

 

Garnwerd aan Zee, op het schiereiland Middagh

Heel lang geleden lag Garnwerd nog aan open zee. Daar woonde in een hutje  een visser, Wobbe Nekje noemde men hem, omdat hij geen nek had. Zijn hoofd stond direct op zijn romp. Rondom zijn hut stonden alleen wat struiken en bomen en de zeekant bestond uit zand en grind. Het water gaf hem een eeuwig durende muziek, maar voor Wobbe was het een prachtig oratorium, hij hoorde in de op en neer gaande beweging altijd weer andere melodieën. Op lange winteravonden zat hij bij het vuur en was dan diep in gedachten verzonken alsof hij in een andere wereld leefde. Soms was het dan net alsof hij in het geluid van zeemeeuwen, de storm en de zee zijn naam hoorde fluisteren: “Wobbone, Wobbonne…….”

Na de winter werd het weer voorjaar en dan ging Wobbe met de andere vissers de zee weer op. Tegen de avond kwamen ze weerom, de manden vol met vis. Iedereen was daar blij mee na zo’n lange koude winter. Wobbe trok als laatste zijn boot het strand op. Hij pakte zijn grote korf met vis en ging kalmaan de wal op. Het was zijn gewoonte om dan nog eenmaal om te draaien en nog even over de zee te kijken, waar de vogels laag vlogen richting de landtong, hun vleugels donker afstekend tegen de avondlucht. Daarna keerde hij richting zijn hutje achter de wal.

Het was eens toen hij zich omkeerde, dat hij iets zag bewegen in de branding en boven alles uit hoorde hij een hoog geluid, een lach, een zilveren lach! Zijn hart bonkte in zijn borst, hier gebeurde iets bijzonders! Voorzichtig kroop hij achter een struikje. En toen zag hij ze, duidelijk, zeven meisjes met lange blonde haren, wapperend in de wind. Ze waren spiernaakt en ze dansten als zwanen in een kring, op de rand van het water. Hij kreeg een brok in zijn keel, een prachtig ballet op de muziek die hij zo goed kende!

En dan zag hij nog iets anders, een eindje verder op lag een stapeltje bruin gespikkelde huiden. Uit de oude verhalen weet hij, dat zeehonden soms in het vroege voorjaar op de wal komen, uit hun vel kruipen en als mooie meisjes gaan dansen. Sylkes worden ze genoemd. Heel voorzichtig sloop hij op de huiden toe, pakte de bovenste eraf en rolde hem op. Maar hij had hem nog niet onder zijn jas gestopt of één van de meisjes gilde het uit, de cirkel brak en de Sylkes renden naar het water. Ze gleden in hun huiden en in de opkomende vloed zag hij ze wegglijden. Allemaal.

Allemaal, op één na. Ze stond voor hem, wit als een parel, als een vorstnacht bij volle maan. Haar ogen waren zo donker als de dieptes van de zee en ze keek hem strak en doordringend aan. Toen stak ze haar hand uit en zei met een zilveren stem:  “Wobbone….. geef mij mien vel….”  Wobbe deed een stap naar voren: “Kom doe moar met mij met, dan zel ik dij nije kleren geven om te droagen”.

En zo kreeg Wobbe Nekje uiteindelijk toch een vrouw. Er werd een groot feest georganiseerd. Er werd een schaap geslacht en er werd een vat jenever gestookt. Wobbe zat stralend naast zijn bruid. En Sylke, want zo noemde hij haar, zat stil naast hem, keek met haar grote donkere ogen in de verte alsof ze naar vreemde muziek zat te luisteren. Ze kregen kinderen, een jongen en een meisje. Ze leefden gelukkig, als Wobbe aan het vissen was dan maakte Sylke het eten klaar, zorgde voor kleding en vaak voelde ze zich dan gewoon gelukkig. Maar als ’s winters de storm om het hutje loeide, dan werd ze onrustig, staarde ze in de verte en was het alsof ze luisterde naar een andere wereld.

Op een dag, er waren al 17 jaren verstreken, komt haar dochter naar buiten rennen. “Moeke, kiek es wat ik op zolder vonden heb”. In haar handen heeft ze een keurig opgevouwen bruin gespikkelde huid. Heel langzaam komt Sylke overeind en neemt de huid over. Voorzichtig streelt ze de zachtheid. “Kom moar met” zei ze, “ik moet jim wat vertellen”. In de hut gaat ze op haar knieën voor de kinderen liggen.  “Mien lieverds, luuster noar wat ik jim zeggen goa. Straks bin ik er niet meer. Ik moet vot goan omdat ik niet bin die ik bin. t Is niet dat ik niet van jim hol, moar ik moet gewoon weer miezulf worden en dat is aans dan jim denken.”

Dezelfde avond, toen de maan als een parel over de zee zeilde, kroop Sylke heel voorzichtig uit het warme bed. Ze liep alleen naar de zeekant en  trok haar kleren uit. Even nog keek ze achterom, twijfelend. Daarna wikkelde ze de huid om en liet zich in de zingende golven glijden. Nog even kon je die prachtige ranke kop zien, met die grote zwarte ogen. Plotseling kwamen er 6 andere zeehonden aan, vormden een kring om haar heen, dansten en daarna verdwenen ze in het prachtige indigo van de nacht.

Toen Wobbe wakker werd en het bed verder leeg vond, hoorde hij boven de zee uit het bekende geluid:  “Wobbone….” en toen wist hij. Ze zou nooit terug komen.

Maar soms, heel soms, als de kinderen niet konden slapen, liepen ze naar de zee. “Moeke, moeke!  En dan wachtten ze totdat ze kwam, haar kop met de donkere ogen boven het water. En dan zwommen ze samen, doken en spatten in het schuim van de zee, tot aan de morgen. De kinderen van Wobbe Nekje en zijn vrouw Sylke op het schiereiland Middagh.

Het dorp Garnwerd is er nog steeds en een stukje van het dorp is nog steeds “aan zee”. Maar of er zo nu en dan nog zeehonden het Reitdiep opzwemmen? Je zou hopen van wel, maar ik denk van niet!