Maria’s Mooie Mensen 297

0
159

Ons gezin is niet bepaald sportief. Mijn man zal dit onmiddellijk tegen spreken overigens. Hij schermt dan met de jaren aan judo die achter hem liggen en inderdaad die liggen áchter hem. Zelf heb ik niks te bieden op het gebied van sport. In mijn hoofd fiets ik hele einden, maar de twintig minuten op de hometrainer thuis voor de buis stellen natuurlijk helemaal niks voor. Zodra ik eens echt het stalen ros pak en een vlaagje wind tegen kom, heb ik al zin ermee op te houden. Ook oudste dochterlief is niet gezegend met een sportief lijf. Ze vindt het absoluut leuk om buiten te spelen, mag graag bezig zijn, maar enig talent voor welke sport dan ook hebben we nog niet kunnen ontdekken. Vanaf dat ze vier is, vinden wij het hoog tijd om écht te leren fietsen. Maar net zoals ikzelf vroeger bij mijn moeder, raakt ze al in paniek achter de op fiets bij mij en is ze waarschijnlijk het enige kind op haar basisschool wat zo consequent met de auto gehaald en gebracht wordt. Dat heeft ook wel iets met haar twee zusjes en mijn angst om op de bakfiets te fietsen te maken, maar ze vindt het zelf ook wel prima zo met de auto. En zo vond ze het ook wel prima zo met de zijwieltjes. Maar net zoals het ooit met de luier ging, zijn wij ook nu vrij resoluut: het is tijd dat die dingen eraf gaan. Er volgden achtereenvolgens moeizame oefenmomentjes in een straffe oostenwind, tussen sneeuwbuien door of op grijze voorjaarsdagen die vaak na een minuut of tien eindigden met een ‘ik heb geen zin meer’. Ineens echter, heeft ze de ‘schwung’ erin en trapt ze een eind weg. Het eerste stukje met papa op de weg is zelfs een feit en het lijkt erop dat toch ook mijn eerste kind gewoon gaat fietsen. Naar school nog maar even niet, maar dit is al een mooi begin. En laat nou net dit weekend van die eerste fietstocht volledig gedomineerd worden door een wielerspektakel wat zich een weekend lang bij ons voor de deur afspeelt. Twee volle dagen zit ons dorpje elke tien minuten ongeveer volledig op slot als achtereenvolgens de jeugd, de dames en de heren hun rondjes rijden. Een spektakel mag het met recht genoemd worden, want telkens wéér jakkeren er op hoge snelheid een stuk of zes politiemotoren voorbij die de weg vrij moeten maken, er volgt een auto met microfoon erop en dan komen de renners, de materiaalauto’s, nog meer politie, nog meer materiaalauto’s, bezemwagen en ambulance. Al snel hebben we er lol in het schouwspel te volgen en ontpopt er in mij bijna een echte kenner. Ik leer dochterlief over de kopgroep en hoe de renners in de bochten bij ons voor de deur vaak proberen een plekje te pikken of los te komen zodra ze eruit weg zijn en het lange rechte stuk volgt. We zien hoe de ene keer het peloton – nog een mooi nieuw woord voor haar woordenschat – bij elkaar blijft en een andere keer ver, en dan ook, ver achter ligt op de koprijders. Vol spanning volgen we een bandenwissel bij een lekrijder en we concluderen dat de allerlaatste rijder de strijd wel kan opgeven. En als ze dan zelf vol enthousiasme later de oprit oprijdt compleet met helm en al, zie ik wellicht toch een vleugje sportiviteit borrelen. Wie weet sprint ze later nog eens mee tussen die dames. Al zal ze dat dan niet aan mijn genen te danken hebben.