Tweeling

0
152

Het blijft iets speciaals als je een tweeling bent. Twee van die identieke koppies trekken ook nu ze drie zijn nog altijd veel aandacht overal. Mijn dochters zelf hebben hier weinig weet van. Voor hun is het normaal dat ze altijd samen zijn en als we foto’s kijken ze wel eens te signaleren dat ze op elkaar lijken, maar meestal ook totaal niet. Op hun paspoortfoto’s prijken twee compleet dezelfde koppies van slechts krap een jaar oud, maar zonder moeite weten ze wie wie is. Wonderlijk genoeg meent één van beiden wel bij alle foto’s van mijn oudste dochter zichzelf te herkennen, maar haar tweelingzusje heeft ze nog nooit met zichzelf verward. Maar zoals gezegd, waar ik ook kom, meestal word ik wel door vreemden aangesproken over mijn duo. Of zijzelf. ‘Zijn jullie een tweeling?’, vroeg een vreemde hun onlangs. De dames waren druk aan het spelen op de kinderboerderij en keken ernstig verstoord naar deze vrouw op. ‘Dat weten ze niet’, legde ik uit en de vrouw was vreselijk verbaasd. Maar mijn meisjes zijn gewoon mijn meisjes. Het woord tweeling wordt hier in huis zelden gebruikt, de ene heet Rachel, de andere Georgia en soms noem ik ze duo onrust, maar tweeling nooit. Zij vinden het prima om altijd samen te zijn, vinden het geen probleem hun verjaardag te delen en zijn vooral zichzelf. Als moeder ben je weleens bezorgd om die tweeling-band. Het is mooi en bijzonder om te zien hoe zij elkaar meestal blind begrijpen en vaak kop en kont zijn, maar er is ook dat schrikbeeld van een stel kinderen wat compleet aan elkaar verknocht is en niet aan een eigen identiteit toekomt. Regelmatig schiet me het beeld door het hoofd van de twee oude dametjes die in de stad Groningen welbekend zijn. Altijd samen, altijd hetzelfde gekleed. Tot in de puntjes verzorgd, maar zelfs de tasjes en de staartjes in het haar zijn nog identitiek. Ze wonen hun hele leven al bij elkaar en hebben voor het raam twee dezelfde ouderwetse poppen staan. Dan kun je je voorstellen dat een ruzietje tussen de dames ook weleens met stil gejuich wordt ontvangen. Levendige discussies op de achterbank – ‘dat is niet een koe, dat is wél een koe’ -, verschil in smaak – ‘dit eten vind mijn buikje niet lekker, mijn buikje vindt het hééérlijk’ –  en die geheel eigen kledingkast die ik soms verkeerd vul – ‘mamááá dit zijn niet mijn sokken’ – stemmen mij innig tevreden. Want bang dat die bijzondere band verbroken word, ben ik nooit. Elke avond als de rust eindelijk is weergekeerd in huis werp ik nog een blik op de babyfoon om meestal te ontdekken dat ze, elk in hun eigen kamertje, toch weer exact dezelfde slaaphouding hebben weten te vinden. Synchroon-slapen noemen wij dat, iets wat alleen onze tweelingdochters als de beste kunnen.