Dames uit Westerkwartier terug van vluchtelingenwerk op Lesbos

0
201

“Het is daar verschrikkelijk, dit gun je écht niemand”

STREEK – Eind oktober vertrok een groep van zeven dames uit het Westerkwartier naar het Griekse eiland Lesbos om vluchtelingenwerk te doen. In de periode daarvoor had de groep al verschillende geldinzamelacties gehouden om op Lesbos écht wat voor de vluchtelingen te kunnen betekenen. Met maar liefst €13.000,- vertrok de groep naar het Griekse eiland, waar ze ontzettend schrokken. “Het is er verschrikkelijk”, vertellen Martje Postma en Hilda de Vries. “Het is vies, de mensen hebben er weinig en als je hoort wat sommigen hebben meegemaakt…. Dat gun je écht niemand”.

Voor De Vries was het de eerste keer dat ze naar Lesbos vertrok om vluchtelingenwerk te doen. Postma was al eens eerder geweest en wilde graag nogmaals terugkeren om iets voor de vluchtelingen te kunnen betekenen. “In de zomer van 2018 ben ik er met drie anderen geweest”, vertelt Postma. “Hier moest ik eerst even van bijkomen, want het was ontzettend heftig. Er komt daar zoveel op je af”. Toen de inwoner van Oldekerk er vlak voor Kerst 2018 achter kwam dat de winter te vroeg was gekomen op het Griekse eiland, besloot ze dat ze graag nogmaals terug wilde. “Via Facebook zag ik dat de vluchtelingen op slippers liepen, terwijl wij hier in prachtige winterkleding in de kerk zaten”, gaat Postma verder. “Ik werd hier gewoon misselijk van en nam het besluit om in oktober 2019 nogmaals naar Lesbos te gaan”. Dit jaar vertrok Postma, net als in 2018, met de Stichting ‘Because we Carry’. Maar waar ze vorig jaar met een grotere groep meegingen, had Postma dit jaar zelf een groep verzameld met verschillende dames uit het Westerkwartier. Eén van deze dames was dus De Vries, die zelf eerst even twijfelde of ze wel mee wilde. “Ik was bang dat het voor mij allemaal teveel zou worden”, laat de inwoner van Niekerk weten. “Zoveel ongelukkige en ontheemde mensen samen. Dat heeft mij in het begin weerhouden om mee te gaan. Echter was ik ook toe aan uitdaging, waardoor ik uiteindelijk toch de keuze heb gemaakt om wel mee te gaan. En daar heb ik absoluut geen spijt van”.

Op Lesbos hielpen de dames met name in het kamp Kara Tepe, het op één na grootste vluchtelingenkamp van het eiland. Een paar keer maakten een aantal dames uit de groep ook een uitstapje naar het grootste vluchtelingenkamp, Moria. “Dat is echt het Ter Apel van Nederland zeg maar”, legt Postma uit. “Maar wij waren vooral actief in Kara Tepe, waar met name de kwetsbare mensen zitten. Denk hierbij aan 65-plussers, één-ouder-gezinnen, kinderen en getraumatiseerde vluchtelingen”. Al bij aankomst schrokken de dames zich een hoedje. Ze hadden een beetje een idee wat ze konden verwachten, maar om het met eigen ogen te zien is toch altijd wat erger. “Het is echt net een concentratiekamp”, laat De Vries weten. “De vluchtelingen leven in ISO-boxen, die eigenlijk te klein zijn voor het aantal mensen die erin wonen. Het kamp wordt omringd door hoge hekken met prikkeldraad en vele militairen. Daarnaast is de hygiëne ontzettend slecht. De toiletten -in hoeverre je het een toilet kunt noemen- zijn heel vies en op sommige plekken zijn zelfs geen wc’s. Hierdoor doet men hun behoefte naast de ISO-box, waardoor het echt smerig is. Vrouwen bevallen daar ook letterlijk in hun eigen shit”.

Ondanks de ellende die er in de vluchtelingenkampen is, proberen de ‘bewoners’ hun leventje voort te zetten voor zolang nodig is. De één blijft er slechts een paar weken, de ander zelfs twee jaar. “Het kamp is eigenlijk een soort klein dorpje”, vertelt Postma. “Vluchtelingen helpen mee om het kamp draaiende te houden. Zo werken er vluchtelingen als kapper, fietsreparateur en is er een soort van schoonheidssalon, waar vrouwen kunnen ontspannen. Ook wordt er door vluchtelingen zelf muziekles gegeven en helpen ze mee met distributiewerkzaamheden”. De hierboven beschreven werkzaamheden worden vooral ingezet om de vluchtelingen ‘iets te doen te geven’. Hierdoor denken ze weinig aan de opgelopen trauma’s, de slechte leefomstandigheden en de honger. Want ook eten is er niet in overvloed. “De bewoners krijgen wel dagelijks eten, maar dat is niet heel veel”, legt De Vries uit. “Er zijn gewoon teveel vluchtelingen als je kijkt naar hoe groot het kamp is en hoeveel vrijwilligers er zijn. De hulporganisaties die er zijn kunnen het werk niet aan en er is weinig hulp van Europa. Op Kara Tepe is het dan nog relatief goed. Op Moria worden mensen echt aan hun lot overgelaten. Hier zijn ruim 13.000 vluchtelingen, terwijl er slechts plaats is voor 3.000. De vluchtelingen slapen hier in te kleine tenten en staan in de rij voor eten. Iets wat vele mensen in Nederland zich niet kunnen voorstellen”.

De groep dames uit het Westerkwartier verbleef in totaal één week op Lesbos, waar ze vele indrukken hebben opgedaan. “Het is heel moeilijk uit te leggen aan mensen die er nooit geweest zijn”, vertelt Postma. “Het is er zo onmenselijk. De leefomstandigheden zijn zo slecht en de mensen zijn er zo dankbaar met zo weinig”. De Vries vult aan: “Vluchtelingen die de oversteek maken, hebben vaak een goede baan achter zich gelaten en zijn gevlucht voor oorlog. Ze hebben hun eigen leventje noodgedwongen achter zich gelaten en komen dan in zo’n slecht kamp terecht, waar men met man en macht probeert om voor de vluchtelingen te zorgen. De vluchtelingen die op Lesbos aankomen hebben bijna niks en hebben tijdens hun reis bovendien verschrikkelijke dingen meegemaakt. Sommigen hebben letterlijk de dood in de ogen gekeken tijdens de boottocht. Het is verschrikkelijk om daarover na te denken”.

Eenmaal in Nederland pakken de dames hun dagelijkse werkzaamheden weer op. Allen moeten ze hetgeen ze hebben gezien verwerken. “We hebben zoveel indrukken opgedaan en het is soms moeilijk om daarover te praten”, vertelt Postma. “Het verschil met Nederland is zo ontzettend groot. Je wilt zo graag structureel helpen, maar dat is voor ons onmogelijk. De landen zelf moeten eerst op orde, voordat alle vluchtelingen geholpen kunnen worden. En bovendien: zolang groeperingen zoals de Islamitische Staat bestaan, komt er denk ik nooit een einde aan”. Zowel De Vries als Postma willen graag nogmaals naar Lesbos toe om mensen te helpen. “Zolang er vluchtelingen zijn, wil ik sowieso weer terug”, laat De Vries weten. “Toen we weggingen, had ik het ook heel moeilijk. Ik stond echt te huilen, want je wil zo graag helpen. Voor mijn gevoel liet ik iedereen achter. Als je daar eenmaal bent, komt alles zo dichtbij. In Nederland heb je er geen gezicht bij, dus voel je je niet echt betrokken. Ik denk dat het voor iedereen goed is om daar een keer heen te gaan. Bij terugkomst zie je dan wat je hebt en weet ik zeker dat men zich ontzettend dankbaar voelt”.