Kleintje Cultuur – Tonko Ufkes presenteert nieuwe dichtbundel

0
290

‘Een goed gedicht moet landen. De lezer hoeft het niet in één keer te snappen’

STREEK – Tonko Ufkes heeft onlangs zijn nieuwe boek ‘Boeten, nog niet binnen’ gepresenteerd. Een dichtbundel in het Westerkwartiers, de taal waarin Tonko zich het meeste thuisvoelt. Op bezoek bij de dichter en taalpurist in Groningen, mijmert hij over de Groningse taal en het Westerkwartiers in het bijzonder.

Geboren en getogen in het Westerkwartier, spreekt hij ook vandaag de dag nog steeds het Westerkwartiers. Hij mag dan al decennia lang in ‘Stad’ wonen, het Westerkwartiers is zijn eerste taal. ‘Ik sprak het ook altijd thuis tegen mijn kinderen’, zegt Tonko. ‘En aangezien mijn vrouw van oorsprong Duits is, ontstond er een mooie mengelmoes.’ De taal die je spreekt is – zo meent Tonko – afhankelijk van waar je ouders wegkomen en hoe oud je bent. ‘Een voorbeeld: mijn oma had het altijd over “lichtmoan”. Dat was een woord als tegenhanger van volle maan. Een mooi woord, maar niet een woord wat ik snel zou gebruiken.’

Dat Tonko met het verschijnen van ‘Boeten, nog niet binnen’ straks zijn zesde boek presenteert, vervult hem met trots. ‘Het is een stukje aanleg, denk ik. Ik kon altijd wel redelijk met taal over weg. Vroeger studeerde ik geschiedenis en moest ik een bijvak kiezen. Toen heb ik voor Zweeds gekozen. Later heb ik nog Deens geleerd. En ik kan me ook redden in het Fries.’

Communicatie is een wonderlijk iets, zo vindt Tonko. Toen hij op het Rijksarchief in Leeuwarden kwam te werken, wilde hij natuurlijk zo snel mogelijk het Fries machtig worden. Maar het viel hem op dat collega’s die onderling Fries spraken, overschakelden naar het Nederlands bij Tonko. ‘Dat is logisch, want een onderdeel van communicatie is dat je iets gemeenschappelijks zoekt. Daarom is de schoolpleintaal bij de school hier verderop Nederlands, terwijl er kinderen van allerlei komaf naar school gaan. Voor een taalliefhebber als ik is dat zeer interessant.’

Of zijn dichtbundel in het Westerkwartiers gretig aftrek zal gaan nemen, is moeilijk te zeggen. Zelf is Tonko reëel. ‘Als ik de wereld nog moet bestormen, zal ik dat in het Spaans of het Kanton-Chinees moeten doen’, lacht hij. ‘Maar ik schrijf nu eenmaal het liefst in het Westerkwartiers. Dat doe ik nu al ruim dertig jaar. Het blijft een hele mooi taal.’ De ontwikkeling van die taal is voor Tonko interessant. Zo is het woord ‘krek’ afgeleid van het Franse ‘correct’. ‘En als je kijkt naar woorden als zomer en winter, dan zie je dat die woorden in bijna alle talen en dialecten op elkaar lijken. Zo zijn er veel overeenkomsten, waar je niet snel bij stil staat.’

Terug dan naar de nieuwe dichtbundel van Tonko. Onlangs is deze gepresenteerd in de Martinikapel te Groningen. Het boek is een verzameling van gedichten. ‘Ik schrijf nog steeds vrij veel en heb voor dit boek werk gepakt wat een beetje bij elkaar past qua lengte en vorm. Bij ieder gedicht heb ik een passende foto geplaatst’, zegt de dichter. ‘Er zit ruimte in de gedichten en de foto’s. Bij gedichten moet het zo zijn dat de lezer het meermaals moet leren. Een liedje moet de luisteraar direct snappen, maar bij gedichten hoeft dat niet, tenzij het een Sinterklaasgedicht betreft. Dat is weer een andere tak van sport.’ Hij vervolgt: ‘Een goed gedicht moet landen. Bovendien is een gedicht van zowel de lezer als de dichter.’

Tonko denkt dat hij met deze dichtbundel zijn beste tot nog toe heeft geschreven. ‘Als dichter kijk je anders naar de wereld. Toen mijn vader, een fanatiek tuinder, overleed, liet hij een bloeiende moestuin achter.  Later heb ik met mijn jongste broer groenten geoogst waar hij eerder voor gezorgd had. Voor een dichter is dat een mooi en dankbaar onderwerp. Het is een bepaalde manier van kiek’n, zodat je in zulke dingen schoonheid kan zien.’