Maria’s Mooie Mensen 516

Manlief is een stuk minder goed in opstaan dan ik ben. Onze wekker gaat meestal om kwart voor zes, waarna ik al naar gelang mijn nacht – in de gradaties ‘zwart’ of ‘hopeloos’- er na twee of vier keer snoozen uitkom. Gewoontedier als ik ben, stap ik bijna met de ogen dicht nog onder de douche voor elke ochtend hetzelfde ritueel van wassen, scheren, zepen, waarna ik smeer, föhn en make-up voor ik me aankleed. Op goede dagen kom ik manlief ergens in dit ritueel wel tegen, maar op de slechte schrikt hij wakker als ik de slaapkamer weer binnenkom en verlaat hij het bed dan pas. Ook in het weekend is hij beter in het langer liggen dan ik. Soms is het mijn biologische klok, soms het schuldgevoel – de kinderen zijn al even wakker zonder ons en dat is zo ongezellig- en soms de stress – er moeten nog wassen gedraaid en werk verzet-, maar écht uitslapen vind ik lastig. Oudste dochterlief mag graag tot half tien à tien uur uitslapen, nou dát heeft ze niet van mij. Eén dag in de week zijn de rollen omgedraaid. De máándag; wat een verschrikking. Waar ik het dus prima doe op de kwart voor zes, vind ik de kwart voor vijf van de maandag écht he-le-maal niks. Elke zondagavond hangt die tijd als een zwaard van Damocles boven ons hoofd. Is het tien uur, dan rekent je hoofd al met de magere zeven uur slaap die nog te halen zijn, míts je dan ook echt in slaap valt. Maar op die maandag is er altijd zoveel te doen, van mailboxen die leeg moeten, de boekhouding die opgestart moet worden, de deadline die gehaald moet worden en de kranten die eerst nog volledig in elkaar gezet moeten worden. Denken we om dit, vergeten we dat niet? En dan ergens daar tussendoor moeten de kinderen uit bed en aangekleed, trommeltjes en buikjes weer gevuld en enigszins toonbaar op school afgeleverd worden. Met als extra hindernis de gymkleren en bij voorkeur op de fiets. Je zou van minder gestrest worden en juist dit nekt mij vaak om lekker in te slapen. En daar gingen die schamele zeven uurtjes slaap. De wekker die dan om kwart voor vijf gaat, is ongenadig hard. Net als mijn moeder vroeger tegen mij zei als ik haar wakker maakte toen ik nog thuis woonde, foeter ik het liefst elke maandag tegen manlief dat ik niet kom. ‘Mijn bed ligt veel te lekker’. Hij trekt zich er weinig van aan, vertrekt deze ene dag in de week altijd als eerste naar de badkamer en weet dat ik me uiteindelijk wel meldt. In pyjama deze keer, want gewoontedier als ik ben, betekent de maandag in pyjama achter de laptop rollen en eerst werk verzetten voor ik de dames wakker maak. Ook de hond kijkt me rond dit tijdstip meewarig aan en tukt lekker verder. Manlief laat ons verstandig snel alleen. Op dinsdag zijn de rollen weer omgedraaid. Die wekker gaat en ik vertrek weer als eerste naar de douche. De rest van de week houden we ons vertrouwde ritme weer aan. Tot die verrekte maandag zich weer aandient.