Ook Westerkwartier herdenkt einde Japanse Oorlog op 15 augustus

“Als je het verleden niet goed verwerkt, blijft het ook invloed hebben op het heden en de toekomst”

MARUM/WESTERKWARTIER – Op 8 december 1941 verklaarde Japan de oorlog aan het voormalige Nederlands-Indië en bijna vier jaar later, op 15 augustus 1945, gavende Japanners zich over. Voor veel Indische Nederlanders en Molukkers is 15 augustus daarom een belangrijke datum. Op deze dag staan zij stil bij de vrijheid en het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dat is in de gemeente Westerkwartier niet anders. Sinds acht jaar wordt er op deze datum een herdenking georganiseerd bij het Romaanse Kerkje in Marum en deze is ook voor Tony Simon (initiatiefnemer van de herdenking) en zijn nicht Hanny van Asdonck van grote betekenis. “Er is tijdens de oorlog in Nederlands-Indië zoveel gebeurd”, vertellen ze. “Dat mogen we nooit vergeten. Het is goed om daar elk jaar bij stil te staan”.

Halverwege de zeventiende eeuw werd Nederlands-Indië (nu Indonesië) een kolonie van Nederland. De Nederlanders hadden het er in deze periode voor het zeggen, maar de bevolking vond het prima hoe het ging. In 1941 ging het echter mis, toen Japan de Nederlandse kolonie kwam binnenvallen. De Japanners wilden heel Azië in hun macht hebben en zij vonden dat daarin geen plek was voor Europeanen. Voor de Indische Nederlanders en Molukkers, die voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) vochten, had dat grote gevolgen. Zo ook voor de familie van Van Asdonck. “Toen het KNIL zich overgaf, waren er een aantal Nederlandse militairen die nog door wilden vechten”, vertelt ze. “Mijn vader was een van hen, maar besloot dat uiteindelijk toch niet te doen. Dat was maar goed ook, want iedereen die wel doorvocht, werd door de bezetter gedood”.

Het gevolg was wel dat de militairen  van het KNIL voor de Japanners moesten werken. Van Asdonck haar vader kwam terecht in Nagasaki, waar hij als krijgsgevangene werkte in de mijnen. “Dat heeft hij in totaal drie jaar gedaan”, vertelt Van Asdonck. “Hij heeft hier behoorlijk wat ellende meegemaakt, waaronder de atoombom op Nagasaki op 9 augustus 1945, waarmee het einde van de oorlog in zicht kwam”. Na de capitulatie had het Amerikaanse leger alle krijgsgevangen naar de Filipijnen overgebracht. Van Asdonck haarvader kwam terecht in Manilla. “Mijn vader ging naar eigen zeggen van de hel naar de hemel. In Nagasaki mocht hij als krijgsgevange niets, maar in Manilla voelde hij zich vrij. De krijgsgevangene werden medisch goed verzorgd en kregen weer voldoende gezond voedsel”.

Op 15 augustus kwam de oorlog tegen Japan ten einde, maar eenmaal terug in Nederlands-Indië raakte het KNIL wederom in gevecht. Ditmaal niet tegen de Japanners, maar tegen de Indonesiërs. “De Indonesische bevolking wilde namelijk graag onafhankelijk worden”, verteltVan Asdonck. “Op 17 augustus brak daarom de onafhankelijkheidsoorlog uit, waardoor ook mijn vader wederom oorlog voerde. Dit wordt de bersiap genoemd. Nadat Nederland deze oorlog had verloren, kregen de Indische Nederlanders en Molukkers drie opties. Je bleef, werd Indonesiër en je leverde al je bezittingen in. Je  bleef en werd vermoord óf je vertrok”.

Vertrek uit Indonesië
Waar veel Indische Nederlanders ervoor kozen om naar Nederland te gaan, koos de familie van Van Asdonck om naar Nieuw-Guinea, toen nog onderdeel van het Nederlands koninkrijk, te gaan in de hoop misschien nog terug te kunnen. “De bootreis was toen nog heel spannend, zo hoorde ik later. Wij voeren namelijk vanaf Celebes naar Nieuw-Guinea en kwamen op deze route langs de Molukken. Op dat moment vonden er nog gevechten plaats met de Indonesiërs. De Molukkers wilden zich nog niet overgeven. Men was bang dat de Molukkers contact wilden met de Indische Nederlanders aan boord. Daarom moesten wij op de grond liggen vanwege beschietingen”. In 1952, toen Van Asdonck negen maanden oud was, vertrok de familie toch naar Nederland. Vader moest namelijk een cursus volgen in Nederland en gaf aan alleen de oversteek te willen maken als zijn vrouw en kinderen mee mochten en dat kon. “Mijn vader moest vanwege zijn beroep naar Nederland en daarom konden wij als dienstreis per vliegtuig”, vertelt Van Asdonck. “Andere Indische Nederlanders moesten deze reis zelf (terug)betalen”. In Nederland kwam de familie allereerst terecht in Zandvoort, waarna het gezin via Amerongen uiteindelijk in 1955 ging wonen in Breukelen. “We moesten vanaf dag één zelf bewijzen dat we wat waren”, zegt Van Asdonck. “We zijn echt vanaf onderaan begonnen. De mensen in de wijk reageerden heel wisselend. Er woonden mensen die zelf in het KNIL hadden gevochten, maar ook een hoop Nederlanders. Door een aantal van hen zijn we niet hartelijk ontvangen. Nederland had namelijk ook net een oorlog gehad en was dus zelf nog in opbouw. Hier was al sprake vanwoningnood. Mensen zagen ons als ‘buitenlanders die zomaar even hun woningen kwamen inpikken’. Zo dumpte onze buurvrouw wel eens haar afval in onze tuin en dan riep ze: ‘Ga terug naar je eigen land’. Daarnaast deden mensen soms wel eens vervelend tegen me en ik vond het niet prettig  dat ze vaak aan mijn haar zaten. Als ik bij vriendinnetjes thuis kwam spelen, deden sommige ouders soms erg afstandelijk”.Onwetendheid
De Nederlanders hadden vroeger geen weet van de geschiedenis van de Indische Nederlanders en keek de bevolking daarom ook raar aan. De informatie die er wel was, via bijvoorbeeld kranten, was niet volledig. “Mensen wisten alleen dat Indonesië heel ver weg was. “Dan leven ze vast in de klapperboom en hakken ze pinda’s”, werd vaak gezegd. Tijdens de inburgering werd onze ouders geleerd hoe ze bijvoorbeeld een bed op moesten maken of hoe je aardappels moest schillen en strijken. Alsof we daar niet in een bed sliepen of aardappelen schilden of kleren droegen. Men had niet door dat wij behoorlijk Westers waren”. Van Asdonck voelde dat zij en haar familie niet altijd welkom waren in Nederland. “In het begin zaten wij echt in overlevingsstand. Alle diploma’s die mijn ouders hadden, waren in Nederland niet geldig. We werden als tweederangsburger beschouwd, terwijl we echt een Nederlands paspoort hadden. In Nederlands-Indië hadden we een hele andere status dan hier”. Voor de Molukkers was hun gedwongen komst in Nederland iets anders.. Zij werden namelijk gezien als vluchteling en statenloos. Zij zouden maar tijdelijk in Nederland blijven. “Hen werd beloofd om ooit weer terug te keren naar de Republiek der Zuid-Molukken, maar dat is nooit gebeurd. De Molukkers hadden daardoor echter wel een heel andere kijk op de dingen die hier gebeurden, dan de Indisch Nederlanders”.Van kinds af aan heeft Van Asdonck veel meegekregen van de oorlog in Indonesië. Niet omdat ze het zelf heeft meegemaakt, maar vooral door de gang van zaken thuis. “Mijn vader was getraumatiseerd door de oorlog. Hij had bijvoorbeeld vaak nachtmerries in augustus”, vertelt ze. “Die gingen vooral over het bombardement in Nagasaki. Hier hadden hij en de andere krijgsgevangenen zelf hun eigen graf moeten graven, omdat de Japanners zoveel mogelijk bewijsmateriaal wilden vernietigen”. Ondanks dat Van Asdonck veel van de oorlog meekreeg, wilde haar vader er in het begin niet of nauwelijks over praten. “Daarom intrigeerde mij het ook zo erg. Juist dat er niet over gesproken werd, betekende ook dat het iets magisch had. Later begon hij er toch meer over te praten, maar dan moest je er wel echt naar vragen. Je merkte dan wel echt dat er behoorlijk geleden is”.HerdenkenOp 15 augustus vindt er jaarlijks een bijeenkomst plaats in Den Haag om het einde van de Japanse Oorlog te herdenken. Sinds acht jaar wordt er ook bij het Romaanse Kerkje in Marum een herdenking georganiseerd. Het initiatief hiervoor komt van Tony Simon uit

Marum, wiens familie de oorlog ook heeft meegemaakt. “Ik merkte altijd al dat zowel de eerste- als tweede generatie Indische Nederlanders en Molukkers de behoefte had om naar een herdenking te gaan en samen te herdenken. Die mogelijkheid was er nooit in Noord-Nederland”, vertelt Simon. “Ik merkte dat het gezamenlijk herdenken voor velen heel belangrijk is. Daarom heb ik het initiatief genomen om de herdenking te organiseren. Naderhand merkte ik dat ook de derde- en vierde generatie die behoefte had, omdat zij vragen hebben over de oorlog. De vierde generatie is juist heel nieuwsgierig”. Simon vindt het daarom belangrijk om de herdenking jaarlijks te blijven organiseren. “We moeten blijven stilstaan bij het verleden. Als je het verleden niet goed verwerkt, blijft het ook invloed hebben op het heden en de toekomst. Daarnaast moeten we beseffen wat vrijheid is. De coronatijd maakt ons daar ook wat meer bewust van”. Vorig jaar kon de herdenking niet in normale vorm plaatsvinden vanwege de coronacrisis.

Toen was een beperkt gezelschap uitgenodigd om de herdenking te volgen en konden belangstellenden online meekijken via een livestream. Dit jaar is het weer iets makkelijker.Van 19:00 uur tot 19:30 uur is er een herdenking buiten rond het Romaanse Kerkje en hier zijn maximaal honderd personen welkom op anderhalve meter afstand. Het tweede deel vindt plaats in de kerk en hier zijn maximaal twintig personen toegestaan volgens RIVM-regelement. Hier vertellen verschillende mensen persoonlijke verhalen over de geschiedenis in Nederlands-Indië.

Belangstellenden die niet aanwezig kunnen zijn bij de herdenking maar deze wel willen volgen, kunnen meekijken via RTV Zulthe: Ziggo kanaal 43, KPN kanaal 1460, Telfort kanaal 1460 en t-Mobile kanaal 860.