Veenmosrietlanden krijgen onderhoudsbeurt

DOEZUM – De Doezumermieden, zoals we ze nu kennen, is een landschap ontstaan door ingrijpen van de mens. In dit cultuurlandschap met petgaten en sloten, rietlanden, hooilanden en moerasbossen is een grote variatie aan planten en dieren ontstaan. Om die variatie te behouden is beheer noodzakelijk. Als je niks doet aan het beheer, groeien de petgaten dicht en ontstaat er binnen 10-15 jaar een bos. In dit gebied wil Staatsbosbeheer juist de verschillende stadia behouden. Ook voor de educatie is dit interessant, want Nederland zag er eeuwenlang zo uit. Staatsbosbeheer wil dit hier graag behouden.


De Doezumermieden is vanaf de vijftiende eeuw ontstaan door het winnen van veen. Het afgestoken veen werd te drogen gelegd op smalle legakkers, met daartussen petgaten, waaruit het veen met een baggerbeugel werd getrokken of afgestoken met een schep. In de zomer is het een bloemenzee op de hooilanden, op de trilvenen ontkiemen orchideeën en rondom het water vliegen diverse libellen. Maar om al die biodiversiteit te behouden moet men voortdurend ingrijpen. Veel werk, maar wat een rijkdom aan planten en dieren.

Veenmosrietlanden, riet- en andere open moeraslanden zijn vanouds in gebruik als hooilanden en voor de winning van riet, veenmos en dergelijke. Het hooien en de rietwinning heeft invloed op het proces van veenvorming en remt de successie naar ruigte- en bosvorming. Bij het beheertype veenmosrietland is het doel nu natuurbeheer en niet meer exploitatie. Ook in de rest van het Westerkwartier zijn er diverse veenmosrietlanden aanwezig, op stroken naast het Blotevoetenpad maar ook in de Doezumermieden liggen diverse veenmosrietlanden.

Veenmosrietland bestaat uit een vrij ijle rietlaag met een door veenmossen gedomineerde ondergroei, met soorten als ronde zonnedauw en varens zoals kamvaren. Veenmosrietland en moerasheide zijn oude verlandingsstadia in de reeks van open water naar moerasbos. Vanuit jong rietland kan bij een toenemende dikte van de veenbodem de invloed van grond- en of oppervlaktewater afnemen, waardoor het milieu sterker afhankelijk wordt van regenwater, verzuurt en veenmossen in dominantie kunnen toenemen. In veenmosrietland moet het waterpeil min of meer constant zijn. Als de waterhuishouding en waterkwaliteit in veenmosrietlanden intact blijft – niet te droog en niet te voedselrijk – en ze jaarlijks gehooid worden, kunnen ze jarenlang standhouden. Nat schraalland, hooiland en grasland maaien we meestal twee keer per jaar. De eerste keer gebeurd dit nadat de meeste vogels zijn uitgebroed, rond 15 juni, de tweede keer meestal in augustus-september. Het maaien is een behoorlijke klus, zware machines kunnen het gebied niet in. Grote machines vernielen de natte, zompige bodem en zorgen voor bodemverdichting. Het maaisel voeren we af, om de bodem te verschralen, anders komen de voedingsstoffen weer in de bodem terecht. De schrale bodem levert een grotere soortenrijkdom op en remt de successie naar bos.

Trilveel kan ook overgaan in laagveen (dan komt het vast te zitten aan de minerale bodem), met allerlei mogelijke tussenvormen. Laagveen kan na verloop van tijd weer veenmosrietland worden wanneer de waterstand hoog genoeg blijft en de aangroei van plantmateriaal groter blijft dan de afbraak (minder afbraak dankzij zuurstofarme omstandigheden in water). Maar bij onvoldoende water kan het verder verlanden en krijg je ruigtevegetaties en uiteindelijk bos.Het maaien van trilveen is een specialistische klus. Het trilveen kan helemaal geen gewicht hebben, met een trekker zou je er doorheen zakken.  De trilvenen worden handmatig gemaaid, dit gebeurt met een eenassige rietmaaier. Je loopt hier op een pakket drijvende plantenresten. De maaier knoopt het gemaaide riet direct in bosjes.  Je balanceert op een veenpakket met daaronder meters water, vergelijkbaar met lopen op een waterbed.

Het bijzondere van de Doezumermieden is dat je er alle stadia van verlanding aantreft, het proces waarbij open water langs natuurlijke weg in land verandert. Tussen het eerste plantje dat zich in open water vestigt en het eindstadium bos, bevindt zich een rijkdom aan landschappen: open petgaten, laagveenmoeras, trilveen, veenmosrietland, moerasheide, nat schraalland, vochtig hooiland, kruid- en faunarijk grasland, en broekbos. De wandelroutes, laarzenpaden in deze periode, voert men langs de verschillende stadia van verlanding. Boswachterspad Doezumerstruun is een aanrader!