Armoede troef, ook in deze regio

Armoede

REGIO – Voordat iemand toestemming krijgt om elke week etenswaren bij Voedselbank Westerkwartier te halen, komt er een huisbezoek. Een zogenaamde screener gaat langs, verdiept zich in de financiële situatie van de aanvrager en kijkt rond. Soms is kijken niet eens nodig, net als dat het verspilde moeite is om alle bankafschriften grondig te bestuderen. Dan is het ophalen van de neus al genoeg. ‘Armoede ruik je soms. Meteen. Bij binnenkomst. Ik hoor dat steeds vaker van onze mensen’, zegt Jan Oomkes, voorzitter van Voedselbank Westerkwartier. Een trieste constatering. Armoede is veel meer dan niet genoeg geld hebben. Het gebrek aan geld kan heel veel neveneffecten hebben, zeker ook voor opgroeiende kinderen. Het is – helaas- ook in deze regio soms armoede troef. Verhaal over de effecten van armoede.

In het Westerkwartier en Noordenveld is nog steeds veel verborgen armoede. Hoewel de ‘ledenlijsten’ van zowel Voedsel- en Kledingbanken in omvang toenemen, is er nog steeds een categorie mensen die geen hulp zoekt. Uit schaamte en vanwege de mentaliteit. ‘De mensen hier willen niet zeuren. Het is zoals het is. Niet klagen, maar dragen. Bovendien willen ze voor zichzelf zorgen, ook al kan dat niet meer. Het is de mentaliteit die hier nog steeds heerst. Bovendien is het Westerkwartier van oudsher een armer gebied. Er zijn dus mensen die niet beter weten en zich pas als de nood vreselijk hoog is eens gaan verdiepen in mogelijke hulp. In Voedsel- en Kledingbanken bijvoorbeeld. Maar nooit eerder. Dat is de mentaliteit die hier heerst. We zien aan de cijfers dat het aantal gezinnen dat in armoede leeft nog steeds groeit. Maar die cijfers kloppen niet, die zijn in werkelijkheid nóg veel hoger’, zegt Oomkes.

De mening van de buurman of buurvouw, die is ook nog steeds te belangrijk. En dus verandert het gedrag van mensen die in armoede leven. Naar buiten toe is er niets aan de hand, eenmaal thuis ruik je de armoede. ‘Voorbeeld is bijvoorbeeld de verjaardag van een kind. Je ziet steeds vaker dat kinderen op hun verjaardag niet op school komen. Niet omdat ze de hele dag thuis feest vieren, maar omdat er geen geld is om op school te trakteren. Rond Sinterklaas zie je het ook. Op veel scholen wordt gevraagd aan kinderen om van huis een schoentje mee te nemen, zodat die daar gezet kan worden. Een leuk idee van school, maar er zijn in deze regio kinderen die maar één paar schoenen hebben. Ouders en kinderen komen dan in een lastig parket. Niet naar school gaan op je verjaardag of met Sinterklaas is dan vaak de oplossing’, zegt Willy Jansen – Baltink, bestuurslid van Voedselbank Westerkwartier. Haar organisatie haakte al in op het fenomeen verjaardagen. ‘Wij hebben een zogenaamd ‘Jarige Job Pakket’. In dat pakket zitten slingers, een traktatie voor in de klas, ingrediënten om een taart te bakken en chocolaatjes om de leerkrachten te trakteren.’
Oomkes en Jansen – Baltink hebben het vooral met opgroeiende kinderen te doen die in armoede leven. Zij hebben part noch deel aan de ontstane situatie, maar worden er vaak wel de dupe van. ‘Het is vreselijk pijnlijk als andere kinderen vertellen over hun vakantie bijvoorbeeld, en ze zelf niet één dag van huis geweest zijn. Misschien dat scholen dat gewoon anders aan moeten pakken door niet expliciet naar de vakantie te vragen bij terugkomst in het kringgesprek, maar de kinderen te vragen naar de mooiste dag van hun vakantie. Het is maar een voorbeeld, maar zo voorkom je dat kinderen in pijnlijke situaties terechtkomen.’
Jansen-Baltink organiseerde onlangs een eerste symposium in Leek over armoede, en dan met name over de rol die scholen kunnen spelen in het signaleren van armoede. Met zo’n veertig belangstellenden was er sprake van een aardig begin. Maar juist de mensen die moeten en ook kunnen signaleren- leerkrachten dus- ontbraken. ‘Heel jammer, want eigenlijk zou het in deze tijd verplicht gesteld moeten worden om dit soort bijeenkomsten te bezoeken. Signaleren is één, begeleiding twee. Er zijn talloze manieren om kinderen te helpen. Nu dreigen veel kinderen omdat hun ouders geen geld hebben, in een isolement te geraken. Kinderen brengen vaak meer tijd met de leerkracht dan met hun ouders door. Daar ligt dus een sleutel. Jammer dat dit nog niet helemaal doorgedrongen is bij de schoolleidingen en de leerkrachten zelf. Als je het mij vraagt had de zaal vol met leerkrachten moeten zitten.’
Een isolement dus. ‘Als je ouders geen geld hebben, dan kun je niet bij naar de voetbalclub. Kun je geen muziekles volgen. Sta je dus alleen. Je ziet je vriendjes voor je raam naar het voetbalveld fietsen, jij kunt niet mee. Gelukkig komen er steeds meer initiatieven waardoor kinderen waarvan de ouders een smalle beurs hebben tóch kunnen sporten. Denk maar eens aan de Stichting Leergeld, sinds kort ook in Noordenveld gevestigd. Gelukkig maar, want een isolement is bepalend voor het karakter.’

Oomkes noemt nog een aspect. ‘In gezinnen waar armoede is, nemen de spanningen toe. Ouders zijn sneller geneigd naar de fles te grijpen, om zo de sores te vergeten. Agressie is iets dat veel vaker voorkomt. Uit onmacht. Frustratie.’ Oomkes noemt de cijfers zo op. ‘Wij voeden zo’n driehonderd monden, waarvan tachtig kinderen’, zegt hij. Alleen al in de gemeente Leek maken 81 volwassenen en 88 kinderen gebruik van de Voedselbank. En dat terwijl heel veel mensen die in armoede leven dus nog niets eens in beeld zijn. ‘Het ergste is dat ja door armoede niet meetelt. Er zijn ondertussen 160 Voedselbanken in Nederland. Eén op de zeven gezinnen leeft op of zelfs onder de armoedegrens.’, voegt Jansen-Baltink toe.
Leerkrachten kunnen een belangrijke rol spelen in het signaleren van armoede. Belangrijk, want armoede maakt de kans op uitsluiting groter en kan invloed hebben op zaken als gezondheid, participatie, sociale ontwikkeling en toekomstkansen. Kinderen schamen zich vaak. Dragen geen kleding van een bepaald merk en hebben geen IPad. Ze leven meer teruggetrokken en leugentjes zijn vaker aan de orde dan bij ‘normale’ kinderen. ‘Signaleren is een tak voor scholen’, vindt Jansen-Baltink. ‘Daarna is het een kwestie van informatie verschaffen, proberen het gezin te versterken en proberen te zorgen voor een positief schoolklimaat voor deze kinderen. Leerkrachten kunnen signaleren aan de hand van bijvoorbeeld kleding, het lunchpakket maar ook aan zaken als bijvoorbeeld te laat komen. In mijn optiek moeten scholen het thema armoede bespreekbaar maken. Een school zou ook een soort van participatiefonds kunnen ontwikkelen. Leer alle kinderen normen en waarden. Praat met elkaar, niet over elkaar. Knutsel samen een schoentje voor Sinterklaas, en vraag kinderen niet schoenen van huis mee te nemen. En zo zijn er heel veel tips om het samen leuker en beter te maken.’
Daarom ook was Jansen-Baltink wat teleurgesteld in de afwezigheid van leerkrachten op het onlangs gehouden eerste symposium in Leek. Sterker nog: ze baalde er stevig van. Uit het veld laat ze zich niet slaan. ‘Dat dit symposium een soort van olievlek mag worden’, zegt ze. Tenslotte: in Leek liep ook Heidi van der Laan rond. Woonachtig in Pekela. Zij is het levende bewijs dat een dubbeltje wel degelijk een kwartje kan worden. ‘Ik ben deskundige in armoede. Ik heb altijd in armoede geleefd. Met drie kinderen. Ik mocht op een bepaald moment een opleiding volgen en help nu mensen die in armoede leven. Daardoor verdien ik nu zelf m’n geld en krabbel ik op. Het kan dus wel’, zegt ze.
Armoede dus. Het zou geen taboe meer moeten zijn, maar is dat soms nog wel. Zeker ook in deze regio, waar de penetrante geur van armoede soms letterlijk te ruiken is.