Maria’s Mooie Mensen 53 “16

Het zit mijn oudste meisje niet zo mee deze laatste maanden van het jaar. Ze kwakkelt november en december door en wordt achtereenvolgens geveld door een dubbele oorontsteking, buikgriep en gewone griep. Alle hectiek in deze tijd van het jaar die start met Sint Maarten, gevolgd door de intocht van de Sint slechts één dag later en dan de weken waarin ze niet alleen toeleeft naar de verjaardag van deze Goedheiligman maar ook die van haarzelf slechts vier dagen later en dan ook nog eens een grote bruiloft die volgt, eisen hun tol. Het arme meisje is dan ook nog maar drie en in dat koppie gaat opeens wel heel veel om. Dagen hangt ze heerlijk op de bank en ik probeer zoveel mogelijk bij haar te zitten. Wanneer haar beide zusjes ons ook even een beetje rust gunnen, komt er van alles boven in dat kleine koppie en ze vertelt me zo op de valreep nog van alles over dit gekke jaar wat achter ons ligt. Uit het niets komen soms hele verhalen over hoe ze haar zusjes uit het ziekenhuis heeft gehaald, hoe haar oom en tante getrouwd zijn en zelfs nog hoe haar mama’s verjaardag gevierd werd in – let wel – maart. Moeiteloos haalt ze herinneringen loepzuiver naar boven. Ook gebeurtenissen die minder groots lijken maar evenveel indruk hebben gemaakt passeren de revue en zo hoor ik meerdere malen hoe zij en papa tijdens een fietstochtje werden verrast door een bui regen en ze allemaal – inclusief “arme arme popje” – kleddernat weer thuis aankwamen. “En toen stond jij te lachen bij de deur mama”, lepelt ze even boos op. “Maar je had gelukkig ook een blauwe handdoek” en het is me weer vergeven. Het is een donkere sombere ochtend als ik de peuterspeelzaal ook voor deze laatste speelochtend van het jaar kan afbellen. Mijn meisje ligt koortsig op de bank te slapen, de andere monsters hebben ook hun ogen dicht en opgelucht zit ik bij dat kleine zieke wezentje op de bank te berusten. Op de televisie zie ik hoe er in Brede heel veel geld opgehaald wordt voor Serious Request dat dit jaar ten goede komt aan medicijnen tegen longontsteking voor kinderen in Afrika, terwijl naast me mijn eigen dochter een hoest produceert die ongetwijfeld wel tegen de Afrikaanse longontsteking op kan. Eenmaal uitgeblaft bekijkt ze het tafereel op de televisie argwanend. “Wat is dit allemaal mammie?” “Nou”, probeer ik het in ‘Jip-en-Janneke-taal’ samen te vatten, “deze mensen hebben zich een week lang opgesloten in dat huis en dan mogen ze niet eten, maar alleen maar sap drinken. Dat doen ze om geld op te halen voor de zieke kindjes in Afrika. In Afrika hebben ze namelijk niet genoeg geld voor medicijnen en dus kunnen de kindjes niet meer beter worden. Zie je al dat geld door die brievenbus gaan daar? Daar kunnen weer een heleboel kindjes beter van worden.” “Maar mammie, jij maakt mij toch weer beter?” vraagt ze zich af. “Zeker lieverd”, stel ik haar gerust. “Kan ik dan later eens naar Afrika? Om naar de kindjes te gaan?”, vraagt ze mij ernstig. “Absoluut lieverd, ga jij als je groter bent de wereld maar een stukje beter maken. Maar zorg eerst maar dat je zelf beter wordt.” Tevreden dut ze weer wat in, een bos krullen waaiert zich om dat bleke gezichtje, dikke donkere wimpers rondom die grote blauwe ogen die langzaam dichtvallen. Terwijl ik langs het aanrecht waar voor godsvermogen aan middeltjes staan om onze kleine meid weer op te peppen, hoor ik op de achtergrond nog muziek: ‘als de hemel valt, moeten we hem samen dragen’. Gelukkig heb ik een engeltje op de wereld gezet. Als de hemel valt, kan zij hem ongetwijfeld dragen.