Maria’s Mooie Mensen – week 19

Een bekend persoon interviewen is iets wat mij niet dagelijks gebeurt. Erg boeiend is het uiteindelijk eigenlijk ook niet. Het leukste blijft verhalen maken die dichtbij de lezers en dus mezelf staan; dat is ook het mooiste voor de Streekkrant. En aangezien er in ons verspreidingsgebied geen ladingen BN’ers wonen, de topsporters over het algemeen ook een ander onderkomen hebben gevonden en er niet veel deelnemers aan ‘the Voice’ of ‘Hollands got Talent’ uit de gemeenten Grootegast, Zuidhorn en De Marne blijken te komen, is mijn ervaring met deze tak van sport zo goed als nihil. Ik denk nog even terug aan het bezoek van Màxima aan de Oostergast, waarbij ik het presteerde zo goed als naast haar te staan en haar vol aan te kijken, maar toen vergat mijn vragen te stellen en dus kan er wel gesteld worden dat er qua BN’ers misschien wel wat werk aan de winkel is. Via het BaronTheater mocht ik onlangs Sjaak Bral interviewen. Klinkt leuk, klinkt als BN’er, maar om heel eerlijk te zijn: verder klingelde er geen belletje bij mij. ‘Een Hagenees’, wisten ze me op het werk te vertellen, maar zo ver was ik zelf ook nog wel. Dat ik me misschien wel even goed moest voorbereiden, werd door collega’s beaamd. ‘Zeker wel, want hij is wel scherp hoor’, werd ik toegesproken. Dagenlang zat de afspraak in mijn hoofd. ‘Hoe zou zo iemand zijn? Zou hij andersom ook geïnteresseerd zijn? Misschien wil hij wel weten in wat voor krant het interview zal verschijnen… ‘Dan kan ik hem vertellen over de Streekkrant, wat ik allemaal al heb gedaan daarvoor en met hoeveel plezier we er aan werken. En dan vertel ik over ons bedrijf, manlief die er werkt en dochterlief die in haar box aan mijn bureau ligt’, mijmerde ik. Mijn vader verstoorde het ruwweg: ‘je hebt er niks aan zelf’, was zijn nuchtere opmerking. Toen ik me wat begon in te lezen, vreesde ik dat hij gelijk had. Zo las ik dat Bral niet alleen scherp, maar ook rauw en vilein is. Hij schrijft columns, maar ziet deze niet zoals mij als een plek om de ‘mooie mensen’ in het leven te etaleren, maar om  korte metten te maken met anderen. ‘Een goed columnist laat geen vijand in leven’, lees ik en de vrees begon te groeien. Vlak voor ik de telefoon pak om te bellen met Bral lees ik tot overmaat van ramp ook nog eens dat hij interviews bestempeld als ‘de meest irritante vorm van oponthoud’ en ik vraag mezelf toch even sterk af waarom ik dit interview zo graag zelf wilde doen. Het begint al goed: Bral staat er om bekend nogal rap van tong te zijn en de eerste zin die hij eruit gooit, gaat zo vlot, dat ik alleen nog maar: ‘wat zegt u’ kan echoën. Ik probeer het met een grap, wijs hem op zijn uitspraak over interviews, waarop hij droog antwoordt: ‘dan moeten we het maar niet te lang maken nu’. Hmm, wat had ik dan ook gedacht: ‘ja meisje, maar een interview van jou is zo gezellig dat die opmerking niet geldt’? U begrijpt, ik heb het zweet op de rug en nog geen letter op papier. Uiteindelijk blijkt Bral toch net als ieder ander, eigenlijk ook maar gewoon een mens. Hij kan leuk vertellen en eerlijk is eerlijk, ik heb flink gelachen aan de telefoon. En hoewel het hem volgens mij geen ene bal kon schelen in wat voor krant het stuk geplaatst ging worden en hoe deze elke week met liefde gemaakt wordt, kon ik hem wel warm krijgen voor het BaronTheater en Opende. Ik vertelde hem hoe het theater gemaakt was door puur vrijwilligers en hoe het gedragen wordt door Crescendo. Ja heus, ik kreeg hem zelfs warm voor het fietsende muziekkorps, welke hij bleek te kennen. Ik groeide in mijn rol en ging nog even lekker door over hun reis naar Japan en hoe de fietsen allemaal aangepast zijn. Ook vertelde ik over hoe ik ooit in het BaronTheater was toen het bijna klaar was, hoe de vrijwilligers stonden te poetsen, de deuren al theaterrood waren en de rode loper van stenen naar de ingang al gelegd was. Ik zat er lekker in. Tot Bral mij bruut onderbrak: ‘we zouden het kort houden’.