Maria’s Mooie Mensen week 45 “15

Schoonmaken; ik heb er een broertje dood aan. Toen manlief en ik nog met zijn tweeën waren redde ik me prima met een klein rondje door het huis in het weekend. Hup even de stofzuiger erdoor, de wc’s langs en een doek door de badkamer en wij konden er wel weer tegen aan. Wassen deed ik ook alleen deze twee dagen en dan gewoon achter elkaar door; had ik daar de rest van de week ook geen last van. Sinds dochterlief een voorliefde voor de zeer knoeibare geraspte kaas en gekleurde hagels heeft ontwikkeld en graag met lekkende tuitbekers door het huis sleept, ontkom ik er niet meer aan vaker de handen te laten wapperen. Bovendien als je één keer hebt gezien dat je kind een gevallen koekje onder de kattenharen van de vloer vist, ben je ook wel genezen van dat één-keer-per-week-stofzuigen-beleid. Nou zou je denken: neem gewoon een schoonmaakster. Heb ik geprobeerd, maar stiekem begrootte me dat toch ook. Heeft er ongetwijfeld mee te maken dat zij vaak druk aan het poetsen was als ik juist dochterlief achter haar ontbijtje zette. Het feit dat zij zich liep uit te sloven in mijn huis terwijl ik op mijn kont zat en dochterlief ondertussen weer nieuwe hagelbergen onder haar stoel creëerde, voelde ook niet zo lekker. Ik ben jong en gezond, dus ik doe het weer zelf nu. Onder protest uiteraard, dat wel. Wie mij nu bezig ziet, zou niet vermoeden dat ik ooit elke zondag aan de slag ging als schoonmaakster. Niet zomaar één, nee, zodra de laatste discogangers de straten oprolden, stapten wij juist naar binnen om de ongelooflijke puinhoop die een avondje uit kan nalaten weer recht te trekken. Samen met beste vriendin waagde ik me elke week weer aan de klus. Vol enthousiasme solliciteerden we: ‘Die discotheek schoon? Dat lukt ons wel, hoor. En oh ja, die kroeg pakken we ook wel even’. Vol ongeloof staarde de eigenaar ons aan. Voor de zekerheid koppelde hij ons aan Manuel, want met zijn tweeën zouden wij het vast niet redden. Goed geschoten, want wij hadden even buiten de gigantische aangekoekte lagen bier op de vloer, de met lipgloss ondergeschreven spiegels in de wc en de kauwgom die letterlijk overal op en onder werd geplakt, gerekend. Het bleek elke week weer een pittige klus, de schoonmaakhel op aarde en eentje waarbij de discotheek en de kroeg weer blinkend achter lieten, maar zelf zwart tot achter de oren en stinkend weer vandaan kwamen. Als de moed ons in de schoenen zonk, was daar gelukkig altijd weer Manuel. Qua uiterlijk verwachtte je hem eerder dansend in een kooi op zaterdagavond, maar hij verkoos het dansen met ons in een uitgewoonde en uitgestorven viproom op de zondagochtend. Hij leerde ons spiegels te poetsen zo blinkend dat we onze eigen getuite lippen weer konden zien en leerde ons hoe we al salsa dansend de vloer weer toonbaar kregen. Een waar feestje elke zondagochtend en dan eentje waar de feestgangers van de avond ervoor ongetwijfeld jaloers op waren geweest. Dus wanneer ik nu sta te zwoegen in die badkamer denk ik nog maar eens aan hem. ‘Je mag dan wel in een oude vieze joggingbroek lopen en het zal wel zondagochtend zijn, maar je kunt best wel even lachen’. Manlief zal zich wel afvragen waarom ik zo stom sta te grijnzen als ik die spiegel weer blinkend poets.