Maria’s Mooie Mensen 251

Als we elkaar na ruim tien weken weer eens treffen, is het zoals altijd alsof we de draad zo weer oppakken. We verwonderen ons over hoe elkaars kinderen toch groeien en laten net als anders onze koppen koffie koud worden. Zij is druk op het werk; ik ben druk op het werk. Zij is net terug van de zwemles van de oudste en haar jongste wil graag de hele ochtend die nog resteert op haar arm; ik heb met moeite mijn drietal in de auto weten te krijgen en ben na een stop op mijn werk de anderhalf uur die er tussen ons ligt gaan afleggen. Vroeger al hadden we aan een half woord genoeg. Tóen deden we daar echter nooit aan. Zette je ons bij elkaar, dan kon je er verzekerd van zijn dat wij de avond wel vol kletsten. Op feestjes werd er wel eens over ons geklaagd door andere vrouwelijke aanwezigen, dat we alleen maar met elkaar bezig waren. We haalden toen al onze schouders op, zoals we dat nu beiden doen over werkrivaliteit of competerende moeders. Maar dat halve woord is inmiddels waar we het mee moeten doen, want de moeheid speelt ons parten en de kinderen storen regelmatig. Gezegend met dochters die graag met elkaar spelen en een zoon van haar die overal relaxed tussendoor schippert, kunnen we toch nog heel regelmatig bij elkaar langs gaan. Vaste prik is samen een broodje eten – ‘we hebben gewoon vijf kinderborden nodig’ verwonderen we ons dan telkens weer – , een moment waarop wij vooral smeren en de kinderen heerlijk eten. We concluderen beiden dat we de handen vol hebben en we beamen aan elkaar dat het echt weer anders wordt als de jongsten ook maar een jaar of drie zijn. Dat betekent dat we nog zeker anderhalf jaar te gaan hebben voor ook wij weer in alle rust een broodje eten. We beamen dus ook al snel aan elkaar dat we maar geen nieuwe kinderen meer moeten maken. Na het eten gaan de oudsten dansen voor de tv en kan haar jongste zijn bed in. Mijn kleintjes doen verwoede pogingen hun sandalen los te krijgen en dus zitten wij zowaar even in het zonnetje samen. Is het echt al zolang geleden dat wij samen Lloret de Mar onveilig maakten? En zullen onze dochters dat over eenzelfde aantal jaren ook gaan doen? ‘Nee’, besluiten we ter plekke, maar we weten al dat we de dames vooral moeten laten gaan als de tijd rijp is. Nog even nemen we wat halfslachtige roddels en nieuwtjes over familieleden en kennissen door als ook mijn meisjes jengelig worden en het wel weer tijd wordt de anderhalf uur terug te rijden. De luiertas, tas met flesjes en tas met speelgoed wordt weer in de auto gezet, de extra kinderstoelen stop ik in de kofferbak en de kleine meisjes worden weer vastgezet. Na wat weigeringen lukt het me ook mijn oudste dochter mee te krijgen, die zoals altijd nog láng niet weg wil. Wanneer haar oudste dochter nog een kus wil geven en mijn monster dat weigert – want kusjes zijn bleh -, sluiten we de middag zoals gewoonlijk in tranen af. Boven twee mopperende meisjes uit doen wij nog wat halfslachtige pogingen ook afscheid te nemen. ‘We zien elkaar…’ begin ik, en zij beaamt ‘ja hoor, anders komen wij snel…’ Het is maar goed dat we aan een half woord genoeg hebben.