Maria’s Mooie Mensen 252

Het mannenbrein functioneert wat anders dan dat van een vrouw. Geen probleem, want immers: leven en laten leven, verschil moet er wezen en nog wat meer van die clichés en we kunnen prima naast elkaar bestaan. In het beste geval vullen wij vrouwen de mannen zelfs goed aan. Of andersom, het is maar hoe je het bekijkt. Maar er zijn van die dagen dat je je als vrouw oprecht verwondert hoe het kan dat dé man voor de tachtigste keer over de wasmand struikelt maar hem niet even naar boven tilt of dat je een slechts een boodschapje van tien minuten hebt gedaan maar het huis er bij thuiskomst uitziet alsof je drie weken weg was. Kookt mijn man, dan weet je zeker dat de spinazie tot op de muur zit. Let wel: deze muur is dus drie meter verder. En dus kookt mijn man niet meer. Ik kook terwijl ik ook de was vouw, de tafel dek en de kinderen bezig hou. En waar hij zich niet verwondert over deze verschillen – hij is immers man – kan ik bij tijden niet begrijpen hoe dat mannenbrein functioneert. Neem twee meisjes van vijftien maanden die tanden krijgen, eentje van 3,5 jaar die last van oorpijn heeft, matige nachtrust en dan dat na-de-vakantie-gevoel waarmee het zo lastig is je draai weer te vinden en dan voelt het niet alsof hij van Mars komt en ik van Venus, maar alsof hij óp Mars zit en ik daar mijlenver vandaan. Wat een gezellig uitje met zijn allen moet worden, dreigt al bij het uit huis gaan te mislukken. Terwijl manlief gerust nog even – lees: een kwartier – op de wc gaat zitten, probeer ik de kinderen klaar te maken. Hij zorgt er vervolgens voor dat iedereen in de auto komt, ik pak nog snel de tassen. Als we tien minuten op weg zijn, slechts een kwartier later dan gepland, kom ik erachter dat manlief één van de meisjes met maar één sandaal aan in de auto heeft gezet. Terwijl ik me hardop verbaas dat hem dat is ontgaan, blijkt dat ik het verkeerd heb: het is hem niet ontgaan, hij kon de sandaal simpelweg niet vinden en had het opgegeven. U begrijpt: de sfeer daalt tot een dieptepunt als ik me blijf verbazen en ergeren en hij zich daar weer aan irriteert. Uiteindelijk wordt het wel weer gezellig en na een leuke dag wacht daar een heerlijk warm bad. Waar ik zolang mogelijk lig te dobberen in dit hete water, plonst hij er pas op het laatste moment in voor alleen het noodzakelijk kwaad en dat is zijn haren wassen. Terwijl ik me al afdroog, bedenkt hij zich dat dat voor hem een lastig verhaal gaat worden, want uiteraard is hij er weer zonder enige voorbereiding in geplonsd. ‘Je handdoek ligt al klaar’ zeg ik en er wacht me een zoen. ‘Je bent het beste peerd van stal’, grapt hij, ‘je gewicht in goud waard’. ‘Mooi’, antwoord ik adrem, ‘het wordt namelijk tijd om uit te betalen.’ Even kijkt hij me nietsvermoedend aan. ‘Dat goud’, verduidelijk ik.