Maria’s Mooie Mensen 254

‘Maar waar ga je heen dan?’. Het is wel helder dat oudste dochterlief er niet blij mee is dat ik zo ’s avonds nog weer vertrek voor een verhaal. Wanneer ik haar uit de doeken doe dat ik naar oude mensen ga, heeft zij haar oplossing al paraat: ‘oh, oude mensen, maar dat vind ik ook leuk. Kan ik dan mee?’ Even later stap ik toch echt zonder haar in de auto. Een interview in de avond hoort erbij, maar op het moment van weggaan, wanneer we het eten net achter de kiezen hebben, het huis weer aan de kant is en de kinderen klaar voor hun bed zijn, lonkt de bank toch echt meer dan de auto. ‘Ik ben niet lang weg’, zeg ik dan ook tegen manlief en voeg daar ‘een uurtje’ aan toe. Maar eenmaal ter plekke op mijn afspraak heerst er rust en ben ik mijn drukke huishouding allang vergeten. Ik schuif aan voor een kopje thee en zie hoe twee vrijwilligsters vakkundig ervoor zorgen dat deze bewoners van een verzorgingstehuis een leuke avond hebben. Er wordt gegrapt en gegrold, men doet zijn best om mijn vragen te beantwoorden en na dat uurtje denk ik oprecht dat ik er een goed verhaal van kan maken. Naast me echter is iemand blij met het nieuwe gezicht. Ze vertelt over haar handwerken, hoe fijn ze dat vindt en dat ze echt alles kan maken. Trots toont ze me haar omslagdoek en eerlijk is eerlijk, die ziet er prachtig uit. Wanneer ze over haar vader begint, schrik ik even. Want: die woont nog thuis en daar heeft ze de zorg voor. Haar moeder is immers overleden en zij is de jongste en enige die nog thuis woont om op hem te letten. Ik kijk haar aan, schat haar zeker in de tachtig en besef me dat zij in haar herinneringen dwaalt. Aan mijn andere kant wordt me ook verteld over hobby’s, maar dan over hobby’s die doodgebloed zijn. Want een kwast heeft deze fanatieke schilder niet meer aangeraakt sinds zijn vrouw overleden is. En voor de tweede keer deze avond wordt mijn hart gebroken. Hoewel mijn thuis lonkt, besluit ik te blijven en nog maar even mee te mijmeren in de herinneringen. Bovendien is er genoeg te lachen als één van de heren overduidelijk op zijn praatstoel zit. De twijfel bij zijn buurvrouw over haar advocaatje neemt hij makkelijk weg door te suggereren dat haar overburen daarvan in de broek moeten plassen, ‘maar daar heb jij toch geen last van, ja?’ De klok tikt rustig verder en tegen achten heeft het advocaatje zijn werk gedaan en wordt er wat gedut. Verderop schrikt iemand op: ‘naar huis? Maar waar is mijn huis ook alweer?’ Opnieuw vakkundig zorgen de vrijwilligsters ervoor dat iedereen de juiste rollator te pakken krijgt en dat ze hun eigen huis weer zien. Terwijl zij de kopjes wassen, drogen en in de kast zetten, mag ik nog even een kijkje nemen bij één van de bewoners. ‘Misschien geen spectaculair uitzicht’, verontschuldigt hij zich bijna, ‘maar ik zit dan ook niet de hele dag achter de geraniums uit het raam te kijken.’ Terwijl ik met de vrijwilligsters naar buiten loop en zij me vertelt dat ze echt wel een uurtje over heeft zo eens in de drie weken om deze avond te verzorgen, besef ik me hoe gelijk ze heeft. Manlief kijkt verbaasd als ik twee uur later weer eens binnenstap thuis. ‘Kwam je niet weg?’, vraagt hij. ‘Jawel, maar ik had wel een uurtje over’.