Maria’s Mooie Mensen 255

Ik zit al volop met mijn neus in de Rodermarkt en of ik nou de aangewezen persoon ben, vraag ik me wel eens af. Echt een groots bezoeker van dit festijn ben ik nooit geweest, maar vroeger toen ik nog een tiener was, waagde ik me wel aan de feestavonden in de tent. Destijds liepen we dan nog heen en weer naar Bar Looks, nadat we een blik op de kermis wierpen en ik immer besloot dat ik ongetwijfeld van alle attracties kotsmisselijk zou worden. De botsauto’s was toen ook zo’n hip iets, maar iets waar ik nog presteerde uit te vallen en in elk geval bont en blauw weer uit tevoorschijn te komen. Toen het bier gooien in de mode kwam in de feesttenten, haakte ik af. Ik verhuisde uit huis, Rodermarkt werd iets van je jeugd en iets waar mijn ouders het druk mee hadden bij de Krant. Inmiddels woon ik alweer zeven jaar in de buurt van Roden en kan ik Rodermarkt zelfs ’s nachts bij tijden levendig meemaken. Maar het enige wat ik echt meemaak ieder jaar is de parade. Een hoogtepunt denk ik van de week – alhoewel ik daar vroeger anders over dacht. Waar het echt misgegaan is met mij en de Rodermarktweek durf ik niet te zeggen, maar de basis is al niet helemaal goed gelegd met die verplichte aanwezigheid als klein kind op de wagen. Het eerste jaar was ik Marokkaan, recht vanuit de woestijn geïmporteerd op een wagen die meen ik ‘Around the world’ heette. Dat rondje zat ik uit – ik meen op kameel of ernaast – en dat ging denk ik nog wel aardig. Er volgde nog een jaar en dat ging allemaal wat minder. De wagen was één grote regenwolk en alle kinderen werden er als regendruppel in gestopt. Ik was ouder, was er al snel wel klaar mee en laten we wel wezen: van één grote regenwolk boven je hoofd word je niet heel vrolijk. Helemaal afschuwelijk vond ik dat wachten op het Jaarbeursterrein om er weer uitgehaald te worden. Alle kinderen moesten één voor één met een trappetje eruit getild worden en uiteraard was ik één van de laatsten die het pand, oftewel de wolk, kon verlaten. Ik denk dat mijn gezicht toen wel op onweer stond. Echt mis ging het pas de maandag erna toen er met ons kleuters nog even gezellig nagepraat werd. Wat we van de wagen vonden, werd er in de groep gegooid. “Mag ik dat eerlijk zeggen?”, begon ik en toen had die juf natuurlijk wel onraad kunnen ruiken. Dat deed ze echter niet en moedigde me aan mijn mening te geven. Die bleek nogal ongezouten: “Ik vond hem lelijk”. Mijn ochtend eindigde toen op de gang, waar ik mocht nadenken over mijn mening over de wagen. Zeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed dat ik mijn mening niet heb aangepast. Nog een jaar en dan kan mijn oudste dochter de wagen op. “Oh nee hoor”, verkondigde ze laatst, “alleen als jij en papa ook meegaan.” Ik heb er nu al slapeloze nachten van.