Maria’s Mooie Mensen 258

Jarenlang had ik een vogeltje. Ik was achttien jaar, moest en zou direct op kamers, maar een dag voor de verhuizing naar Leeuwarden, klonk dat opeens toch wel wat ver weg en alleen, dus togen moeders en ik naar de dierenwinkel. Een knalgeel parkietje ging me vergezellen en kreeg de Friese naam Freek. Hij was een makkelijk vogeltje, gezellig wanneer je daar zin in had en over het algemeen stil als hij onder zijn doek vertoefde. Wel handig voor een studente die na het stappen liever niet om zeven uur in de ochtend het gekwetter van een parkiet wilde aanhoren. Freek doorstond verhuizing na verhuizing en liet zich gewillig meetronen van Leeuwarden weer naar meerdere onderkomens in Groningen, totdat hij uiteindelijk in het huis waar we nog altijd wonen de geest gaf. Hij had een goed leven achter de rug en eindigde voor het raam hier waar aan de andere kant genoeg gekwetter was, dus ik denk maar zo: hij blij, wij blij. Mijn broer verging het wat minder. Die besloot in Arnhem ook een gezellig gevederd vriendje aan te schaffen, maar ging niet voor zo’n gezellig babbelend parkietje, maar koos een Agapornis. En ach, waarom ook niet direct twee; wel zo leuk voor die beestjes. Alles goed en wel, tótdat één van beiden het loodje legde. De ander bleef alleen achter en dat plekje naast hem op de stok was zo leeg. Als hij zong, klonk er geen tweede stem meer en er was ook niemand meer om ruzie mee te maken. Het beestje werd depressief; ja, dat kan bij zo’n beestje. En dus jankte hij de hele dag alles bij elkaar. Niet om aan te horen en om oprecht horendol van te worden. Dus, wonende aan het prachtige Kronenburgpark, besloot mijn broer hem de vrijheid te gunnen. Op aanraden van mijn moeder. Zo gezegd, zo gedaan. Maar voor het feit dat het beestje vervolgens de hele dag op een tak aan de buitenkant voor het raam ging zitten, had ook mijn moeder geen oplossing meer. Iedereen in mijn familie heeft inmiddels voorgoed een Agapornis-trauma. Bij mij komen ze er niet in. Afgelopen week was ik ergens voor een verhaal en al lopend naar de voordeur zag ik de vogelkooi in de vensterbank staan. ‘Wat leuk, een vogeltje’, dacht ik met in mijn geheugen mijn gezellige Freek-vriendje. Eenmaal binnen klonk al wat lawaai van die vensterbank. ‘Oh, begint die vogel weer’, verzuchtte mijn gastheer. ‘Ik zet hem zo weer op de gang, als hij niet ophoudt’, klonk het streng. Leek me wat spartaans, tótdat de heer uit de doeken deed waar het omging. ‘Een Agapornisje, harstikke leuk oogt het, maar wat een lawaai’. Ik kon alleen maar driftig knikken. ‘De gang lijkt me een goede plek’.