Maria’s Mooie Mensen 267

Afgelopen week was er zo’n zeldzaam momentje van rust. Oudste dochterlief vermaakte zich prima bij haar vader op kantoor, de kleintjes waren ziek en hadden hun slaap hard nodig. Ik zwaaide manlief en oudste dochter extra fanatiek uit: ja, nog een knuffel en kus en dan snel weg. De kleintjes stopte ik met iets meer plezier als anders in bed. Ik had zowaar drie hele uren voor mezelf. En nee, zoals ik anders zou doen, ging ik deze drie uren niet alleen aan het werk besteden. Het virusje wat de kleintjes had geveld, was mij namelijk op de stem geslagen en dan is het lastig telefonisch aan de slag te gaan. De interviews die nog gedaan moesten worden, moesten noodgedwongen wachten, boekhoudkundige karweitjes waarvoor contact nodig was, konden allemaal aan de kant gelegd worden. En dus had ik onverwachts wat ruimte over. Ik voelde me als een kind in een snoepwinkel, ware het niet dat de keus nu niet was of ik drop, chocola of misschien lolly’s zou pakken, maar de vraag was nu ga ik schoonmaken, zal ik cadeaus gaan inpakken, nog even wat achterstallig werk weg pakken of toch die drie wasmanden vol schone was wegvouwen? Gek genoeg, en dat bedacht ik me natuurlijk pas toen het huis alweer vol onrust en rommel was, heb ik geen moment aan een boek, bad of andere vorm van ontspanning gedacht. Soms kan het nou eenmaal ook zeer ontspannend zijn om gewoon te kunnen doen; klusjes weg te werken zonder een jengelend kind aan je been of peuter die elke twee minuten ‘mama…’ vraagt. Ik besloot eerst maar eens de stofzuiger en dweil erdoor te trekken. Een uit noodzaak geboren keuze, want met twee zieke anderhalfjarigen die eten slecht konden verdragen had de vloer ernstig te lijden. Waar ik me voornam alleen de loop even snel te zuigen en de dweil op de meest vieze plekken erdoor te halen, eindigde ik toch met een compleet schone benedenverdieping. Blinkend was het, dat was zeker, maar een blik op de klok leerde me ook dat het zeker een uur van mijn vrije tijd had gekost. Gauw de computer aan om toch even de meest dringende werkklusjes weg te werken. Er kwam nog een lastige bezorgklacht voorbij, nog wat te regelen met collega’s waarvoor ik drie verschillende mensen te pakken moest krijgen en verrek: opeens kwam het moment dat de dames boven in hun bedje weer zouden ontwaken wel erg dichtbij. Vastbesloten het meeste te maken van die spaarzame uurtjes haalde ik als een malle het ingekochte Sinterklaaspakpapier – acht rollen in het kader van beter teveel dan te weinig – tevoorschijn. De cadeautjes, die ik als een echte hulp-Sint goed verstopt had, lieten zich moeilijker tevoorschijn toveren. Toen de tafel eenmaal vol lag en het eerste pakje in het papier zat, perfectioneerde ik mijn ‘Sint-handschrift’ terwijl ik zo sierlijk mogelijk een naam erop schreef. Voldaan bekeek ik het resultaat, toen daar door de babyfoon een overduidelijke ‘mama?’ klonk. Ik besloot mezelf nog tien minuten te gunnen en pakte snel nog drie andere cadeaus in. En toen ging ook de telefoon: of oudste dochterlief weer naar huis kon komen. Als een malle verstopte ik alles wat op tafel rondslingerde, gooide de rollen pakpapier onder het bed en stopte de lege boodschappentas in de bijkeuken vol pakjes. De kleintjes haalde ik uit bed, zette ze in de kleren, schone luiers, fruit voor het neus. Mijn oudste meisje stampte haar vieze schoenen de gang in en gooide de jas daar ergens in de buurt van de kapstok. Haar vragenvuur was weer op volle sterkte en toen ik zei: ‘rustig meisje, mama is moe’, keek ze me verbaasd aan. ‘Jij had het toch lekker rustig net?’ concludeerde de gehaaide peuter. Volgende keer misschien toch maar voor dat bad kiezen.