Maria’s Mooie Mensen 317

Mijn oudste dochter heeft een paar hele mooie eigenschappen. Zo heeft ze een lief karakter, kan ze heel sociaal zijn en is ze vaak heel eerlijk.  Bovenal is ze trouw en loyaal, heel erg loyaal. Zo loyaal dat ze nog altijd zich het liefst van top tot teen in de kleur roze hult, want dit is immers haar lievelingskleur. Ooit zo verkozen toen ze nog maar twee was, maar trouw als ze is, laat ze dit ook nu ze bijna vijf wordt, niet los. Verder kan ze weken hetzelfde kijken op tv als dat haar lievelingsprogramma is en eet ze het liefst elke dag hetzelfde. Een betere vriendin dan zij is er niet snel te vinden. Al op de peuterspeelzaal worstelde ze met het concept vriendschap toen haar beste vriendinnetje daar haar vinnig meedeelde even een ochtendje niet naast haar te willen zitten. “Maar wij zijn toch vriendinnen mama?”, vroeg ze mij vertwijfeld in de auto. Ze was dus nog maar drie jaar oud. In alle rust heb ik haar geprobeerd uit te leggen dat vriendschap niet betekent dat je alles hetzelfde of samen moet doen. Soms wil je wat anders dan de ander en kom je elkaar later wel weer tegen. Een les die ze goed in haar oren heeft geknoopt en op de basisschool dankbaar oplepelde tegen vriendinnetjes. Wonderlijk genoeg werkte dit door mij destijds terplekke verzonnen credo erg goed voor meisjes van vier die soms heel kattig kunnen zijn en moeite hebben water bij de wijn te doen. Menig ruzie over onderwerpen als ‘gaan we op de rekstok of toch schommelen’ werden afgelopen schooljaar met deze leus beslecht. Dit schooljaar ging het dochterlief wat moeizamer af. Ze startte in een nieuwe groep en koos daarin op dag twee zelf maar een nieuwe vriendin. Volgens haar verhalen gaat dat ongeveer zo: ze zit naast een meisje, vraagt of ze vriendinnen wil zijn en het is beslecht. Of het ook daadwerkelijk klikt, moeten de dames nog maar afwachten en soms uitvechten. En dat bleek dus een lastige. Regelmatig kwam ze thuis met verhalen over haar nieuwe vriendin die zo bleek naarmate de vriendschap vorderde, nogal kattig uit de hoek kon komen. Mijn trouwe, eerlijke dochter begreep er niks van als het meisje haar boos toeriep dat ze geen vriendinnen meer waren en haar vervolgens wel verbood dan met andere kinderen te gaan spelen. Zelf kreeg ik ook plaatsvervangende jeuk van dit meisje na de zoveelste strubbeling en noemde haar pissig een kattekop. ‘Oeh, dat mag je niet zeggen mama’, kreeg ik te horen en dus maande ik dochterlief – eigenlijk ook weer heel kinderachtig van mij – het meisje maar even in haar sop gaar te laten koken. Dat was lastig voor mijn lieve meisje en de vriendschap bleef dat ook. Totdat ze opeens aan het spelen kwam met wat oudere meisjes in het dorp. Meisjes van tien kunnen ongetwijfeld ook kattig zijn, maar een volledig in het roze gehuld meisje van vier haalt over het algemeen het beste in ze naar boven en dus klikte dat hartstikke leuk. Zelf constateerde mijn meisje vervolgens dat dit pas échte vriendinnen waren. Én zo vertelde een dag later na school, dat had ze ook even meegedeeld aan haar eigen vriendin. Manlief verslikte zich prompt in een hap eten, ik keek haar verbaasd aan. En wonderlijk genoeg was het alles wat nodig was. Mijn dochter die zei dat deze oudere dames veel leuker waren, haar vriendinnetje die nog een schamel ‘nietes’ uitbracht en ik heb al geen weken meer klachten gehoord over kattige buien of andere ellende.