MiniKul – week 30 ‘14

Hij zuchtte diep, toen hij de laatste fase van de bergetappe in ging. Die was weer zwaar, maar moest, dacht ie terwijl hij stevig in het kopgroepje doortrapte, toch in een half uur te doen zijn. Hij had het traject immers al vaker afgelegd. Hij zweette hevig en voelde de hongerklop opkomen. Haastig verorberde hij de plak Pijnenburgkoek die hij bij zich had en nam hij een paar slokken water. Hij kon er weer even tegen, maar moest attent blijven dat niemand uit zijn kopgroepje ontsnapte. Daarom reed hij steeds vooraan, een beetje solo. Hij had vandaag beste benen. Dit moest zíjn rit, zíjn zege, worden.
Hij zorgde er voor, dat ie een tempo van rond de 25 kilometer aanhield. Daarvoor hield hij het metertje op zijn stuur, waarop hij ook zijn hartritme kon aflezen, goed in de gaten. Nog vóór het rood, dus hij had nog over om vluchtpogingen te pareren. Ze kregen hem niet klein. Hij reed veel op kop, hield iedereen in de gaten. De prachtige natuur liet hem koud, de drom mensen die naar mate de rit naar de top vorderde steeds dichter werd en nauwelijks nog een kleine doorgang bood, irriteerde hem. Hij deelde een klap uit naar de idioot, die in leeuwenkostuum (hup, Holland, hup) een meter of vijftig met zijn gezwoeg mee rende.
Hij zette met inspanning van zijn laatste krachten een demarrage in. De hartslagmeter sloeg rood uit, maar hij kwam iets los, zo’n meter of tien. Die zou hij vasthouden, naar de finish op de top was het nog hooguit tweehonderd meter. Hij zat er doorheen, maar het gevloek en gesteun van de achtervolgers gaven hem vleugels. Daar was de finish. Hij had het gehaald. Amper, maar toch. Hij keek op het stuurklokje; inderdaad, precies na dertig minuten. Met een overweldigend gevoel van triomf stapte hij af. ….
…. van de hometrainer. Hevig zwetend en kapot. Zo, die klus was ook vandaag weer geklaard. Hij drukte de tv uit, waarvoor hij gedurende zijn dagelijkse halfuurse trapsessie op de hometrainer naar de finish van de dagetappe in de Tour de France zat te kijken. Strompelend kwam hij de huiskamer binnen. ‘Even uitpoesten,’ hijgde hij. ‘Dan schenk ik een pilsje voor je in, champagne voor de winnaar hebben we niet’ lachte zijn vrouw, die hij daarna op beide wangen kuste. ‘Niet op de mond?,’ vroeg die lachend. ‘Ach,’ hijgde hij terug, ‘dat doe je niet bij rondemissen. En ik ga zo onder de douchte, dan ben ik fris voor Mart Smeets’ Avondetappe.’ Tien minuten later was alle euforie weggespoeld.
Henk Hendriks