Rondje deur Mien Westerkwartier: Opende

OPENDE – Opende is het meest westelijk gelegen dorp van de provincie Groningen. Het is een van de weinige dorpen in deze provincie waar Fries wordt gesproken, met name in het westelijke en zuidelijke deel. In het Fries wordt Opende ook wel ‘De Grinzer Peen’ genoemd om verwarring te voorkomen met het Friese dorp Opeinde. Op oude kaarten ziet men de naam ook wel gespeld met een trema op de e (dus: Opënde) om te voorkomen dat het zou worden uitgesproken als de verleden tijd van openen.

De Armenbegraafplaats

Als je op de Provinciale weg vanuit Surhuisterveen richting Kornhorn gaat, kom je op
de hoek Bosweg-Provinciale weg het Gasthof tegen. Als je even blijft staan en naar
de rechterachterhoek van de tuin kijkt zie je daar een baar- of lijkenhuisje staan. Dit
is het laatste overblijfsel van het zogenaamde armenkerkhof. Officieel was het geen
kerkhof, maar een begraafplaats, want er stond geen kerk. Opendenaren hadden het
over ‘t Stille kerkhof”, omdat er geen klokkentoren op stond.

Heel vroeger werden de doden in en rond de kerk begraven, totdat er een verbod om
in de kerk te begraven. Dit was alleen een verandering voor de rijken, want dat waren
de enigen die in de kerk werden begraven. Gewone mensen werden rond de kerk
begraven. In de kerk rook het vaak niet te fris, dat kwam ‘deur de rieke stinkerds.’

In een nieuwe wet, met de lange naam: “Wet tot vaststelling van bepalingen omtrent
het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten”, dat elke
gemeente tenminste één algemene begraafplaats moest hebben. Dit betekende dat
ook armen en vreemdelingen daar begraven konden worden. Per gemeente werd
daar een eigen uitleg aan gegeven. De ene gemeente vond een aantal algemene
graven op een bestaande begraafplaats voldoende was. Andere gemeenten, zoals de
gemeente Grootegast vonden dat er een nieuwe begraafplaats moest komen.

Maart 1870 is in een vergadering van B en W gepraat over een perceel grond van
ruim 26 are groot, dat geschikt was om er een begraafplaats aan te leggen. Het lag
ten westen van het dorp Opende en kon gekocht worden voor 200 gulden. De
gemeenteraad nam het voorstel van B en W over en ging, onder voorbehoud van
goedkeuring door Gedeputeerde Staten, akkoord met de aankoop en aanleg van de
begraafplaats.

De begraafplaats is blijkbaar in februari 1871 al gebruiksklaar, want op de 17 e van die
maand vroeg Ged. Staten in een brief aan B&W van Grootegast, hoe de situatie rond
de begraafplaats was. Een omwonende had namelijk bezwaar gemaakt tegen het
vestigen van een begraafplaats. Er was verschil van mening met de gemeente over
de afstand van 50 meter die een begraafplaats van de bebouwde kom moest liggen.
Gedeputeerde Staten wees het bewaar af en de bezwaarmaker ging in beroep bij de
Raad van State. Daarna is het geschil vermoedelijk ‘in de minne geschikt want de
begraafplaats is gewoon in gebruik genomen.

Tot zover niets bijzonders. Maar het is merkwaardig, dat er in maart 1870 iemand
werd begraven op de begraafplaats, die feitelijk nog niet bestond. De overledene was
Jacoba Brandij, die in de gemeente Grootegast woonde. Zij was de schoonmoeder
van burgemeester Van de Ree, die met Jacoba’s dochter Maria getrouwd was. Ze is
de enige die een zerk kreeg op deze begraafplaats. Het graf werd ook nog gesierd
met een mooie treurwilg. Waarom zij daar voortijdig is begraven is helaas niet
bekend.

Want het blijft vreemd dat er in maart 1870 iemand begraven is op een plaats die
pas mocht worden ingericht als begraafplaats na goedkeuring van Ged. Staten in
maart 1871. Het zal vast weer met ‘die aaigenzinnege Westerketierders’ te maken
hebben.

Meneer H. Haiema die jaren schaapherder was geweest, wilde beslist niet op het
armenkerkhof begraven worden. De laatste 25 jaar van zijn leven bracht hij door in
het verzorgingshuis en vertelde tegen iedereen.

‘k Wil niet op t aarmenkerkhof leggen. Mien hiele leven heb ik spoard veur mien
begroafenis en k wil niet as een hond begroaven worden. Begroaf mij moar liever
bie de kerk”. En dat is ook gebeurd.

Toen er in de laatste helft van de 19 e eeuw veel besmettelijke ziekten voorkwamen
moest er verplicht een lijkenhuisje gebouwd worden. Dat huisje staat er nog en
herinnert aan de begraafplaats, die ruim honderd jaar in gebruik was.

De grond werd aan de buurman verkocht. De toegangspoort werd verwijderd. De
zerk werd eerst als stoep voor het voormalig lijkenhuisje gelegd en is later op het
Themapark de Spitkeet in Harkema terecht gekomen, waar hij nog altijd te bezichtigen is.